Studiekosten

Datum laatste wijziging: 23 juli 2024  |  Trefwoorden: , , , , , , , , , , , , , ,

Inhoud

  1. Geen wettelijke verplichting
  2. Oude regeling
  3. Onbelaste vergoeding (oude regeling)
  4. Voorwaarden vrijstelling (oude regeling)
  5. Belaste vergoeding (oude regeling)
  6. Rekenvoorbeelden vergoeding studiekosten (oude regeling)
  7. Verrekening via inkomstenbelasting (oude regeling)
  8. Terugbetaling werknemer (oude regeling)
  9. Rekenvoorbeeld terugvordering studiekosten (oude regeling)
  10. Nieuwe werkgever neemt de terugbetaling aan de oude werkgever voor zijn rekening (oude regeling)
  11. Vergoeding aan kinderen werknemer (oude regeling)
  12. Vergoeding bij indiensttreding (oude regeling)
  13. Erkenning verworven competenties (oude regeling)
  14. Gerichte vrijstelling
  15. Verschillende situaties
  16. Overige kosten
  17. Verruilen van studiekosten in een cafetariasysteem
  18. Belastingvrij sparen voor een opleiding
  19. Naslag
  20. Scholingsaftrek afschaffen
  21. Regeling scholingsvouchers nog onduidelijk
  22. Volledige scholingsaftrek alleen onder 30 jaar toegestaan
  23. Maak scholing en ontwikkeling volledig aftrekbaar
  24. Werknemer hoeft studiekosten niet terug te betalen
  25. Ook in 2018 nog aftrek uitgaven scholing
  26. SER pleit voor individuele leerrekening werknemers
  27. Alleen verplicht gestelde studieliteratuur aftrekbaar als scholingsuitgave
  28. Resultaten gebruik Scholingsvoucher en Brug-WW
  29. Ondernemers denken graag mee over nieuw scholingsfonds
  30. Studietoeslag voor student met medische beperking overal € 300 per maand
  31. Bijna een half miljard extra naar onderwijs
  32. Lagere transitievergoeding door verrekenen scholing
  33. Nieuwe regels studiekostenbeding en nevenwerkbeding
  34. Studiekosten is op zich al een studie waard
  35. Subsidie van € 3.750,00 voor omscholing naar ICT of techniek
  36. Veel bedrijven zetten scholingsbudget niet in voor personeel: ‘Mensen vaak niet op de hoogte’
  37. Studiekostenbeding rechtsgeldig. Geen verplichte opleiding

Geen wettelijke verplichting

Afgezien van de leerplicht bestaat er geen wettelijk recht opleidingen te volgen, evenmin kan de wet de werkgever verplichten een studiekostenvergoeding te betalen. Deze verplichtingen treft men als regel ook in CAO's niet aan. Wel zijn in CAO's of arbeidsreglement regelmatig de procedures of uitvoeringsregelingen opgenomen, die onder meer aangeven hoe men de aanvraag (schriftelijk) moet indienen, voor welke kosten de werknemer in aanmerking komt, de verrekening en de eventuele terugvordering (zie onder).
 

Oude regeling

Studiekosten is onder de Werkkostenregeling een gerichte vrijstelling. Er verandert dus niets aan de regelgeving ten opzichte van de oude regeling.

Onbelaste vergoeding

De kosten van een opleiding of studie van de werknemer mogen onder voorwaarden (zie onder) onbelast worden vergoed, te weten: lesgelden, examengelden, boeken, leermiddelen - de zogeheten out-of-pocketkosten, kosten die feitelijk aan de organisatie gefactureerd worden - en reiskosten (0,19 per km). Maaltijden en consumpties tijdens de lesdagen en kosten voor een studiekamer vallen niet onder deze regeling.

NB: De waarde van de voor de studie opgenomen verlofuren kan men niet in aftrek brengen. Het gerechtshof in Amsterdam heeft dat bepaald, ecli 2014, 3700.
 

Voorwaarden vrijstelling

Er zijn drie voorwaarden voor de onbelaste vergoeding:
  • de studiekosten worden niet al door een ander vergoed;
  • de studie of opleiding is gericht op het vervullen van een beroep in de toekomst of op het op peil houden van vakkennis;
  • de werkgever heeft de vergoeding verstrekt of toegezegd voor het einde van het jaar waarin de kosten worden gemaakt.
De vrijstelling is ook van toepassing als een werknemer de vergoeding voor studiekosten onder bepaalde omstandigheden moet terugbetalen, bijvoorbeeld als hij de studie onderbreekt of als hij onvoldoende studieresultaten behaalt.

Gratificaties of premies die de werkgever aan de werknemer toekent bij afronding van zijn studie of opleiding, behoren echter wel tot het loon, ook al is de hoogte ervan afgestemd op de hoogte van de studiekosten.

Belaste vergoeding

Wordt er een vergoeding gegeven voor het behalen van een diploma, dan is deze vergoeding belast. Het gaat dan niet om de studiekosten te vergoeden, maar is een gratificatie voor het diploma.

Rekenvoorbeelden vergoeding studiekosten

Werknemer X (inkomen € 40.000) volgt een studie die hem € 900 kost. De werkgever betaalt aan werknemer X een vergoeding en wel als volgt:

  • Situatie 1: Bij aanvang van de studie betaalt de werkgever aan werknemer X € 900. Voor werknemer X zijn aan deze betaling geen fiscale gevolgen verbonden.
  • Situatie 2: Bij aanvang van de studie betaalt de werkgever aan werknemer X € 450 en bij slagen de resterende € 450. Over de laatst genoemde € 450 worden loonbelasting (52% x € 450 = € 234) en sociale premies ingehouden.

Verrekening via inkomstenbelasting

Vergoedt de werkgever de studiekosten niet, dan kan de werknemer via de inkomstenbelasting (box 1) de studiekosten - de fiscus spreekt over scholingsuitgaven - in mindering brengen. Voor de werknemer valt dit nadeliger uit omdat voor de aftrek van de uitgaven een drempel en een plafond geldt voor de gemaakte kosten. Opleidingen die al betaald zijn door de onderneming kunnen uiteraard niet opnieuw worden opgevoerd.

Voor aftrek komen in aanmerking de kosten van lessen, examens en lesmaterialen. Niet in aanmerking komen de kosten van levensonderhoud, werk- en studeerruimte en reis-/verblijfkosten. Alleen als een (geavanceerde) computer en randapparatuur uitsluitend aangeschaft worden voor de studie, zijn deze kosten aftrekbaar. Zie ook de site van de Info Nu.

De Hoge Raad heeft begin 2009 beslist dat voor de aftrek van scholingsuitgaven geen inkomensverbetering is vereist. Voor de kwalificatie van opleidingskosten als scholingsuitgaven is wel vereist dat men met het volgen van die opleiding een bepaald beroep op het oog heeft en in redelijkheid kan verwachten om dat beroep na voltooiing van de opleiding te kunnen uitoefenen.

Terugbetaling werknemer

Tussen de werkgever en werknemer kunnen (schriftelijke) afspraken zijn gemaakt om de vergoeding geheel of gedeeltelijk terug te betalen indien onverhoopt het diploma niet wordt gehaald of de werknemer voortijdig vertrekt. Een dergelijk beding heeft fiscaal ten gevolge dat de hierboven genoemde belastbaarheid (vergoeding afhankelijk stellen van het slagen) teniet wordt gedaan. Uit jurisprudentie blijkt dat werkgevers er verstandig aan doen de regels van terugbetaling (schriftelijk) voor alle werknemers die opleidingen volgen, te doen gelden. Deze regels zijn:
  • mag er niet toe leiden dat het maandinkomen uitkomt onder het minimumloon
  • de terugbetaling moet helder en duidelijk zijn, een voor tweeërlei uitleg vatbaar begrip als uitdiensttreden kan bijvoorbeeld beter worden vermeden;
  • het rendement van de opleiding moet worden vermeld, hoe lang heeft de werkgever baat bij de gevolgde opleiding;
  • de terugbetalingsverplichting van de werknemer moet evenredig (gestaffeld) verminderen tijdens de aangegeven periode dat de werkgever verwacht baat te hebben van de door de werknemer opgedane kennis en vaardigheden.
De werknemer mag het terugbetaalde bedrag in het jaar van terugbetaling als scholingsuitgaven opnemen in zijn aangifte inkomstenbelasting.

De werknemer mag ook de studiekosten verruilen in een cafetariasysteem.

Rekenvoorbeeld terugvordering studiekosten

Werknemer X volgt in 2003 een studie die de werkgever voor hem betaalt, kosten € 4.500.
Vastgelegd wordt dat wanneer werknemer X voor 1 januari 2005 ontslag neemt, hij het gehele bedrag ad € 4.500 moet terug betalen.
Neemt hij ontslag in 2005 dan betaalt hij € 3.000 terug en bij ontslag in 2006 € 1.500.
Het bedrag van de terugbetaling mag niet in mindering op het belastbare loon komen. De werknemer mag het terugbetaalde bedrag wel in de inkomstenbelasting opvoeren als scholingsuitgaven (Bron MinFin, 20 februari 2009, CPP2009/78M).

Nieuwe werkgever neemt de terugbetaling aan de oude werkgever voor zijn rekening

Het bedrag van de terugbetaling aan de oude werkgever mag door de nieuwe werkgever aan de werknemer belastingvrij worden vergoed. Voorwaarde is dat de nieuwe werkgever het bedrag betaalt of toezegt in het kalenderjaar waarin de werknemer het bedrag aan de oude werkgever heeft terugbetaald.

Vergoeding aan kinderen werknemer

De vergoeding aan de werknemer van studiekosten van zijn kinderen is belast. Vergoedt de werkgever de studiekosten echter rechtstreeks aan het kind of kinderen van de werknemer, dan is deze vergoeding wel belast, maar bij het kind. Afhankelijk van eventuele andere inkomsten van het kind wordt de hoogte van het tarief bepaald. Meestal zal dit betekenen dat het kind nauwelijks of geen belasting betaalt over het verstrekken van studiekosten.
Wanneer de studietoelage direct aan het kind wordt uitbetaald, hoeft de werkgever dus geen loonheffing toe te passen, mits over de toelage:
  • De loonheffingskorting wordt toegepast
  • Het kind in Nederland woont
  • De toelage niet hoger is dan € 562,50 per maand (of € 6.759 per jaar)

Vergoeding bij indiensttreding

Een bijzondere situatie doet zich voor als een werknemer bij ontslag de onbelaste studiekostenvergoeding moet terugbetalen. De werknemer kan het terugbetaalde bedrag in het jaar van de terugbetaling als scholingsuitgaven opnemen in zijn aangifte inkomstenbelasting.

Als een nieuwe werkgever het terugbetaalde bedrag vergoedt aan de werknemer, mag hij dat onbelast doen in het kalenderjaar waarin de werknemer het bedrag terugbetaalt. Als een nieuwe werkgever de terugbetalingsverplichting overneemt in het kalenderjaar waarin de werknemer het bedrag aan zijn oude werkgever moet terugbetalen, heeft dit geen gevolgen voor de loon- en inkomstenbelasting. Maar als de nieuwe werkgever dit in een later kalenderjaar doet, is de vergoeding alleen onbelast of de overname van de terugbetalingsverplichting alleen zonder fiscale gevolgen als hij:
  • de vergoeding van de terugbetalingsverplichting heeft toegezegd in het kalenderjaar waarin de werknemer het bedrag terugbetaalt, of
  • de overname van de terugbetalingsverplichting heeft toegezegd in het kalenderjaar waarin de werknemer het bedrag aan zijn oude werkgever moet terugbetalen.
Als een nieuwe werkgever de terugbetaling van de studiekostenvergoeding onbelast vergoedt of de terugbetalingsverplichting overneemt, kan de werknemer de terugbetaling niet als scholingsuitgaven in zijn aangifte inkomstenbelasting opnemen.

Erkenning verworven competenties

Vanaf 1 januari 2009 worden uitgaven en verstrekkingen voor het volgen van een procedure Erkenning verworven competenties (EVC) aangemerkt als studiekosten. Vergoedingen en verstrekkingen in verband met deze procedure behoren niet tot het loon.
 

Gerichte vrijstelling

Voor bijscholing, cursussen, congressen, vakliteratuur (voor zover ze van belang zijn voor het werk van de werknemer) en opleiding of studie (met het oog op het verwerven van inkomen uit werk) geldt een gerichte vrijstelling. Het betreft hier lesgelden, kosten van studieboeken,
reiskosten voor het lesbezoek en andere leermiddelen. Zie ook Werkkostenregeling, Gerichte vrijgestelde kosten.

Voorwaarden zijn:
  • de studiekosten worden niet al door een ander vergoed;
  • de opleiding is gericht op het vervullen van een beroep in de toekomst;
  • u heeft de vergoeding toegezegd of verstrekt voor het einde van het kalenderjaar waarin de kosten worden gemaakt.
NB: Vergoedingen voor een studieruimte en de inrichting ervan behoren wel tot het belastbaar loon.

Verschillende situaties

De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit een schema gepubliceerd ter verduidelijking van de verschillende situaties die kunnen ontstaan bij de terugbetaling van studiekosten. In het schema staan de consequenties voor de werkkostenregeling (WKR), voor de oude regeling en voor de werknemer die eventueel aftrek van studiekosten heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting (IB).
Schematische weergave van de verschillende situaties
Casus
Wg zonder WKR
Wg zonder WKR
WG met WKR
Wn heeft in IB aftrek van studiekosten
A
Wn heeft drukkende uitgaven voor een studie en krijgt geen vergoeding van zijn werkgever
n.v.t.
n.v.t.
ja
B
Wn heeft drukkende uitgaven voor een studie en krijgt een vergoeding van zijn werkgever
vrije vergoeding
gerichte vrijstelling
nee
C
Wn betaalt studiekostenvergoeding terug aan zijn werkgever (er was sprake van een onbelaste vergoeding of een gerichte vrijstelling)
geen negatief loon
geen negatief loon
ja (tenzij een nieuwe werkgever een vergoeding toekent binnen het kalenderjaar; zie situatie D)
D
Een nieuwe werkgever kent een vergoeding toe in het jaar van terugbetaling van de vergoeding aan de oude werkgever
vrije vergoeding
gerichte vrijstelling
nee
E
Een nieuwe werkgever kent een vergoeding toe na het jaar van terugbetaling van de vergoeding aan de oude werkgever
geen vrije vergoeding
geen gerichte vrijstelling
ja, in het jaar van terugbetalen
(zie situatie C)
F
Een nieuwe werkgever betaalt de studiekostenvergoeding rechtstreeks terug aan de oude werkgever
buiten loonheffing om
buiten loonheffing om
nee
(Wg=Werkgever en Wn=Werknemer)

Toelichting
  1. Vergoeding van studiekosten door een werkgever

Dit is de gebruikelijke (begin-)situatie. Een werkgever kent een studiekostenvergoeding toe in het jaar waarin de werknemer de uitgaven doet. De studiekostenvergoeding is een vrije vergoeding of er is sprake van een gerichte vrijstelling. Voor de werknemer is in zoverre geen sprake meer van uitgaven die op hem drukken. De kosten kunnen hierom voor de heffing van de IB niet bij hem in aftrek komen (zie artikel 6.1 en artikel 6.27 van de Wet IB 20011). Zie casus B in het schema hiervoor.

1 Per 1 januari 2013 is artikel 6.27 van de Wet IB 2001 gewijzigd. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat die wijziging tot doel heeft het type uitgaven nader te omschrijven, beter gezegd te limiteren:
In artikel 6.27 van de Wet IB 2001 is aangegeven wat wordt verstaan onder scholingsuitgaven. (…) Met de wijziging van het eerste lid worden de desbetreffende uitgaven limitatief beperkt tot de uitgaven voor lesgeld, cursusgeld, collegegeld, examengeld of promotiekosten en door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen.
Met de hantering van voornoemde definities wordt enerzijds voorkomen dat onderwijsinstellingen ten behoeve van de aftrek scholingsuitgaven een ruimer arsenaal aan middelen voorschrijven dan strikt genomen noodzakelijk is voor het volgen van de opleiding of studie. Anderzijds wordt hiermee voorkomen dat uitgaven voor zaken waarvoor geen aftrek is beoogd, zoals kosten van levensonderhoud, reiskosten, excursiereizen en dergelijke, onder de scholingsuitgaven worden gebracht.
  1. Terugbetaling van een studiekostenvergoeding door de werknemer

Als een werknemer een eerder onbelaste studiekostenvergoeding terugbetaalt is voor de werknemer geen sprake van negatief loon. Ook voor de werkgever zijn er geen gevolgen (zie rubriek 5.1 van dit besluit).
Mede gelet op het voorgaande brengt een redelijke wetstoepassing mee dat de werknemer het terugbetaalde bedrag voor de heffing van de IB in aanmerking kan nemen als scholingsuitgaven in het jaar van terugbetaling. Zie casus C in het schema hiervoor.
  1. Vergoeding door een nieuwe werkgever binnen het kalenderjaar van terugbetaling

Aangezien de terugbetaling van de studiekostenvergoeding voor de werknemer meebrengt dat in zoverre sprake is van op hem drukkende scholingsuitgaven (zie hiervoor onder 2), kan een nieuwe werkgever hiervoor een onbelaste studiekostenvergoeding geven. Het is dan een vrije vergoeding of, onder de werkkostenregeling, een gericht vrijgestelde vergoeding. Hierbij geldt als voorwaarde dat hij de vergoeding betaalt of onvoorwaardelijk toezegt in het kalenderjaar waarin de werknemer terugbetaalt aan zijn oude werkgever. Het gevolg voor de werknemer is dat in zoverre geen sprake meer is van uitgaven die op hem drukken. De kosten kunnen hierom voor de heffing van de IB niet bij hem in aftrek komen (zie de artikelen 6.1 en 6.27 van de Wet IB 2001). Zie casus D in het schema hiervoor.
  1. Vergoeding door een nieuwe werkgever buiten het kalenderjaar van terugbetaling

Als een nieuwe werkgever een vergoeding toekent na afloop van het jaar waarin de werknemer terugbetaalt aan zijn oude werkgever, is geen sprake van een onbelaste studiekostenvergoeding. Voor de werknemer vormde de terugbetaling in het desbetreffende jaar aftrekbare scholingsuitgaven (zie hiervoor onder 2). In een later jaar is hierom geen sprake van drukkende uitgaven en is een onbelaste vergoeding in zoverre niet mogelijk. Zie casus E in het schema hiervoor. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel is dan uiteraard wel mogelijk. In de praktijk hoeft de situatie onder 3 en 4 overigens niet via de werknemer te verlopen. Als een nieuwe werkgever de terugbetalingsverplichting van de werknemer overneemt en rechtstreeks aan de oude werkgever betaalt, heeft deze betaling voor de werknemer geen enkel gevolg voor de loonheffingen en de IB. Zie casus F in het schema hiervoor. Dit besluit geldt vanaf 1 januari 2011. (Bron: Besluit Fiscaal Bestuursrecht (5 juli 2011 - herziening), punt 5.2.).

Overige kosten

Op vragen hoe het zit met de kosten van een studiedag met lunch, diner en een ontspannend avondje teambuilding, antwoordt de Belastingdienst als volgt
'Afhankelijk van de invulling van het programma en de tijdsbesteding, moet u de kosten splitsen in:
  • activiteiten met vooral een zakelijk karakter. Voor deze activiteiten zijn 2 gerichte vrijstellingen van toepassing:
    • cursussen, congressen, seminars, vakliteratuur en dergelijke
    • tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking
  • activiteiten met vooral een consumptief karakter. Bij deze activiteiten is er sprake van een personeelsfeest. Het deel van de factuur (inclusief btw) voor deze activiteiten is loon van uw werknemers. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije ruimte.' (Bron: Belastingdienst / 2011).
 

Verruilen van kosten in cafetariasysteem

Binnen een bedrijf kan een studiekostenregeling van toepassing zijn, waarin de werkgever niet de volledige kosten van de studie vergoedt. Werknemers kunnen dan via het cafetariasysteem een aanvulling op die studiekosten ruilen. Onder studiekosten wordt verstaan:
  1. de kosten voor het bijwonen van een congres of symposium
  2. en de reiskosten daarvoor;
  3. de studiekosten voor een opleiding;
  4. het aanschaffen van vakgebonden literatuur.
De werkgever kan besluiten de studiekosten helemaal niet te vergoeden om budgettaire redenen of omdat de studie niet in het belang van het bedrijf is. Toch kan de werknemer in dat geval de studiekosten toch verruilen met bruto bronnen. Het gaat dan om studiekosten die gemaakt worden om een andere of hogere functie te krijgen, of om bij te blijven in het vakgebied; in elk geval geen studie louter voor het plezier van de werknemer. De kosten betaalt de werknemer dan geheel of gedeeltelijk zelf, maar ze mogen belastingvrij worden vergoed.
Om de kosten vergoed te krijgen verzamelt de werknemer eenmaal per jaar alle originele nota's die betrekking hebben op de studie uitgaven. De werknemer dient samen met deze nota's een verzoek in om deze kosten met een van de bronnen te
mogen ruilen. De salarisadministratie zal na akkoord de studiekosten rechtstreeks op de rekening van de werknemer storten, waarna deze schuld met de aangegeven bronnen verrekend gaat worden.
Laten we een voorbeeld geven om duidelijk te maken dat de studie niet in relatie hoeft te staan met de functie van de werknemer, noch met de branche waarin hij werkzaam is.
Een werknemer op de afdeling Administratie van een metaalbedrijf volgt een studie voor fysiotherapeut. De kosten van deze studie mogen fiscaal bezien volledig onbelast door de werkgever worden vergoed. Hij zal in dit specifieke geval hiervoor geen budget beschikbaar heb- ben, maar vermoedelijk wel genegen zijn deze kosten te laten verruilen door de inzet van toekomstig brutoloon of verlof.
Om misverstanden en teleurstelling te voorkomen is het verstandig dat de werknemer vooraf met de werkgever overlegt of zijn studiekosten voor een onbelaste vergoeding in aanmerking komen en kunnen worden verruild. Ook vanuit fiscaal perspectief is dit noodzakelijk.

Verschil inkomstenbelasting en loonbelasting

Er bestaat geen verschil in de soort uitgaven die voor een aftrekpost IB in aanmerking komen of belastingvrij door de werkgever mogen worden vergoed. Studie- of scholingsuitgaven zijn de kosten voor:
  1. het volgen van een opleiding of studie met het oog op het
  2. verwerven van inkomen uit werk en woning;
  3. het doel van de opleiding moet gericht zijn op verandering van positie;
  4. het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden.
Populair gezegd: om vooruit te komen of bij te blijven in huidige of toekomstige baan of huidig of toekomstig beroep.

Aftrekpost voor de IB

Alle gemelde kosten kunnen een aftrekpost zijn voor de inkomstenbelasting. Heeft men een fiscale partner, dan kunnen partners afspreken hoe de kosten onderling worden verdeeld. Voor de IB is er echter (voor beide partners afzonderlijk) een drempel van € 250 (2015/2016). Wanneer beide partners afzonderlijk een aangifte doen, kan besloten worden om de kosten op te voeren bij de partner met het hoogste belastingtarief. Dat geeft het meeste voordeel.

Aftrekpost in de LB

Voor de loonbelasting mag de werkgever aan de medewerker dezelfde studiekosten onbelast vergoeden. Let wel: alleen aan de eigen werknemer, dus niet aan de partner. Voor de loonbelasting geldt echter geen drempel.

Verschil

In de meeste gevallen zal het verruilen via de werkgever (bij het ontbreken van een drempel) dus voordeliger zijn. Een en ander hangt wel af van het tarief van beide partners. (Wanneer er geen sprake is van een partner, is verruilen via de werkgever meestal voordeliger.

Belastingvrij sparen voor een opleiding

Met XS2talent kunnen werkgevers vrij van loonbelasting persoonlijke opleidingsbudgetten uitbetalen op naam van werknemers. Dit is een unieke mogelijkheid voor organisaties om op een fiscaal aantrekkelijke en eigentijdse wijze te werken aan de inzetbaarheid van medewerkers. Voor werknemers is het de enige oplossing in Nederland om hun opleidingsbudget veilig over jaar- en organisatiegrenzen mee te nemen. De fiscale goedkeuring die XS2talent heeft, staat bovendien cafetarisering toe (uitwisseling van arbeidsvoorwaarden). Hierdoor ontstaat ruimte voor extra belastingvrij opleidingsbudget.
Kortom zowel werknemers als werkgevers kunnen onbelast bruto loon op een geblokkeerde spaarrekening zetten, waarvan de gelden alleen gebruikt kunnen worden voor een opleiding, die fiscaal aftrekbaar is.
Ook kleine werkgevers kunnen van deze fiscale faciliteit profiteren en een studiefonds voor hun medewerkers creëren.

Naslag

Meer informatie is te vinden in Handboek Loonheffingen. Ga naar subrubriek Loon- en inkomstenbelasting en klik bij Handboeken Loonheffingen op het door u gewenste jaar.

Scholingsaftrek afschaffen

Er komt een einde aan fiscaal voordelig bijscholen. Het kabinet presenteert op Prinsjesdag een voorstel om de 'Scholingsaftrek' af te schaffen. Met die aftrekpost is 200 miljoen euro gemoeid, die minister Bussemaker graag anders wil inzetten. In juni 2016 maakte het Centraal Planbureau al gehakt van de regeling. Uit de analyse van het CPB bleek dat de aftrekpost bijna alleen gebruikt wordt door mensen die zich ook zonder het fiscale voordeel zouden hebben bijgeschoold. Met andere woorden: er gaat nauwelijks tot geen stimulerend effect uit van de aftrekpost. Terwijl die het Rijk jaarlijks meer dan 200 miljoen euro kost.

Minister Bussemaker zei tijdens een toespraak dat ze 'op korte termijn iets gaat doen' aan de aftrek. Daarmee loopt ze vooruit op een besluit om de aftrek af te schaffen op Prinsjesdag.

Bussemaker merkte in haar toespraak op dat vooral hoogopgeleiden gebruik maken van de aftrek. Terwijl laagopgeleiden zich gedurende hun loopbaan nauwelijks bijscholen: 'Lager opgeleiden en mensen met een klein budget worden er onvoldoende mee bereikt en onvoldoende bediend. Dat kan niet de bedoeling zijn.'

De aftrekpost zal waarschijnlijk worden vervangen door een regeling die gericht is op het bestrijden van de kloof tussen hoger- en lager opgeleiden. Het CPB adviseerde voor de zomer al om juist dat te doen: 'de overheid zou er voor kunnen kiezen om scholing enkel te stimuleren bij de groep werkenden die onder gemiddeld deelneemt aan scholing, of die juist bovengemiddeld veel baat heeft hierbij.' Want dan is volgens de economen het geld wel zinnig besteed.

NB: Om de vervangende regeling voor de fiscale regeling voor scholingsuitgaven zorgvuldig in te voeren, heeft het kabinet gekozen voor afschaffen van de aftrek* van scholingsuitgaven per 2018. Een tweede reden voor het uitstel tot 2018 is dat deze maatregel dan volledig kan meelopen in de (geautomatiseerde) voorlopige aanslag.(Bron: AV Accountancy, 28 okt. 2016)

* Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door belastingplichtige zelf volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Voor de aftrek van de uitgaven geldt een drempel van € 250 (2017) en een maximum van € 15.000 (2017). Alleen de werkelijk gemaakte kosten kunnen in aftrek worden gebracht.
Voor belastingplichtigen met recht op studiefinanciering geldt dat aftrek voor scholingsuitgaven vanaf het studiejaar 2015/2016 niet meer toegestaan is.

Redactie: Waarom zouden hoogopgeleiden zich wel bijscholen en laagopgeleiden niet? Het afschaffen van deze aftrekpost en de besparing aanwenden voor de groep werkenden die onder gemiddeld deelneemt aan scholing, haalt helemaal niets uit.
Overigens mag de werkgever nog steeds studiekosten, voor een beroep en/of om bij te blijven in het vakgebied, onbelast vergoeden c.q. het privé besteedde bedrag verruilen met bruto loon.(cafetariasysteem). Deze regeling is voordeliger dan de fiscale aftrekregeling voor studiekosten waar privé nog een drempel van € 250,00 voor bestaat, die voor de onbelaste vergoeding door de werkgever niet bestaat.

Regeling scholingsvouchers nog onduidelijk

Het kabinet wil de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven per 1 januari 2018 omvormen tot een gerichte uitgavenregeling in de vorm van scholingsvouchers voor mensen die uit zichzelf minder snel geneigd zijn scholing te volgen. Werkenden in kwetsbare beroepen of sectoren blijven zo goed inzetbaar en kunnen zo nodig van sector of beroep wisselen. Ook ZZP-ers. Minister Bussemaker en staatssecretaris Wiebes verduidelijken deze plannen in een Kamerbrief maar moeten nog veel antwoorden schuldig blijven.

Men kan de vouchers persoonlijk inzetten, zonder tussenkomst van de werkgever. Zo is de regeling ook toegankelijk voor mensen met flexibele arbeidscontracten. De voorwaarden voor het toekennen en gebruikmaken van scholingsvouchers zijn echter nog niet uitgewerkt. Ook de uitvoerder, het maximumbedrag, de aanvraagmomenten en eventuele overgangsregeling zijn nog onbekend. (Bron, HR-kiosk, 4 nov. 2016)

Volledige scholingsaftrek alleen onder 30 jaar toegestaan

De leeftijdsbeperking die Nederland hanteert voor de aftrek van scholingsuitgaven in de Wet inkomstenbelasting is volgens het Europese Hof gerechtvaardigd en dus niet in strijd met het EU-recht. Een 30-plusser heeft doorgaans al de gelegenheid gehad om een opleiding te volgen en een beroepsactiviteit uit te oefenen. Diegene bevindt zich dan ook financieel in een betere positie dan schoolverlaters (jongeren onder de 30 jaar), en is in staat om minstens gedeeltelijk de financiele lasten van een nieuwe opleiding te dragen.

Dit is het standpunt van de Nederlandse regering voor de maximering van de aftrek van scholingsuitgaven tot € 15.000 voor 30-plussers. Dat personen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, hun scholingsuitgaven onder bepaalde voorwaarden wel volledig in aftrek mogen brengen, is niet in strijd met de richtlijn van 2000/78/EG. (Bronnen: Europese Hof en Taxence, 14. nov. 2016)

Maak scholing en ontwikkeling volledig aftrekbaar

De kosten voor ontwikkeling en scholing van werknemers moeten volledig aftrekbaar worden. De Vakcentrale voor Professionals (VCP) pleit daarom voor een zogeheten duurzaam inzetbaarheidsbudget. Werknemers zouden deze faciliteit kunnen gebruiken voor scholing, verlof of loopbaanbegeleiding. Op die manier zijn ze beter in staat om de regie te voeren over hun eigen ontwikkeling, zegt VCP-voorzitter Nic van Holstein. Een individuele rugzak (voorstel AWVN c.s.) in plaats van bestaande regelingen gaat Van Holstein veel te ver.

Het (oude) kabinet heeft daarentegen het voornemen om de aftrek voor scholingsuitgaven per 2018 af te schaffen. Bovendien wordt het budget aanzienlijk teruggebracht. Het is onverstandig om de scholingsaftrek voor werknemers af te schaffen. Teken daarom de petitie: Bezuinig niet op scholing van werkenden! (Bron: VCP, 23 jan. 2017)

Red.: En stimuleert daarmee meer werkloosheid.

Werknemer hoeft studiekosten niet terug te betalen

Werkgever vordert betaling van studiekosten. In het studiekostenbeding is een gefixeerd bedrag aan studiekosten opgenomen. Ook in dat geval dient werkgever de gestelde kosten te onderbouwen. Dat is onvoldoende gebeurd.

Bovendien leidt nauwkeurige lezing van het studiekostenbeding tot de conclusie dat veeleer sprake is van een boetebeding. Nu geen sprake is van een concrete opleiding die op enig moment is voltooid, maar van verplichte wekelijkse (zelf)studie, zal een opzegging van de arbeidsovereenkomst door werknemer of werkgever altijd leiden tot een opzegging tijdens de opleiding, zodat werknemer op grond van het studiekostenbeding steeds gehouden is de studiekosten terug te betalen.


Ook blijkt dat de betreffende training intern overdraagbaar is en dat het account ook door andere medewerkers werd gebruikt. (Bron: Jurisprudentie, 16 nov. 2016)

Ook in 2018 nog aftrek uitgaven scholing

De voorgenomen afschaffing van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden en de aftrek van scholingsuitgaven wordt met een jaar uitgesteld tot 2019. Dit heeft minister Bussemaker (OCW) laten weten in een brief aan de Tweede Kamer over de voortgang van het wetsvoorstel fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing (34 556). Het wetsvoorstel is na de verkiezingen van 15 maart 2017 door de Kamer controversieel verklaard, waardoor het besluitvormingsproces rondom dit wetsvoorstel nu stil ligt. Wel heeft het kabinet in de Voorjaarsnota opgenomen dat de bezuiniging op deze dossiers wordt teruggedraaid, waardoor het volledige fiscale budget beschikbaar komt voor de vervangende uitgavenregelingen. (Bron: Accountantskantoorhut, 4 jul. 2017)

SER pleit voor individuele leerrekening werknemers

Volgens de Sociaal-Economische Raad (SER) moet een individuele leerrekening worden ingevoerd waar werknemers, werkgevers en sectorale scholingsfondsen geld op kunnen storten. Daarvoor pleit de raad in een rapport dat is gericht aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Om te stimuleren dat werkenden zich blijven ontwikkelen, stelt de SER voor een "ontwikkelrekening in te voeren waarop werkenden kunnen sparen voor een ontwikkeltraject". Het geld dat werkgevers, overheden en de werknemers daarop storten, wordt fiscaal voordelig behandeld en kan worden besteed aan een ontwikkeltraject naar keuze van de werknemer.

De SER hoopt dat deze vorm van financieren van bijscholing "een uitnodiging en een prikkel" voor werkenden is om een ontwikkeltraject te starten. Het is de ambitie om het in Nederland "vanzelfsprekend te maken om te blijven leren en ontwikkelen".
Vakbond CNV is voorstander van de leerrekening. "Werknemers moeten zelf de regie hebben over hun ontwikkeling", zegt voorzitter Maurice Limmen. "Die regie kunnen werknemers houden door ze te steunen in de financiering van hun scholing en ontwikkeling."

Opmerkelijk is dat deze ontwikkelregeling en ontwikkelrekening al sinds 2015 bestaat. De leerrekening wordt volledig ondersteund door XS2Talent.

Alleen verplicht gestelde studieliteratuur aftrekbaar als scholingsuitgave

De in aftrek gebrachte studiekosten in de aangifte inkomstenbelasting voor aanbevolen literatuur is terecht niet geaccepteerd door de inspecteur van de Belastingdienst. De beslissing van de Rechtbank is gebaseerd op het feit dat het studiemateriaal omschreven niet in aftrek kan worden gebracht aangezien het desbetreffende studiemateriaal niet door de onderwijsinstelling verplicht is voorgeschreven. Lees de jurisprudentie, Rechtbank Den Haag d.d. 24 april 2017.
 

Resultaten gebruik Scholingsvoucher en Brug-WW

Met de inzet van zowel de Scholingsvoucher als de Brug-WW wil het ministerie van SZW mismatch zoveel mogelijk beperken en langdurige werkloosheid voorkomen. Beide regelingen doen dit door het volgen van scholing onder verschillende doelgroepen te stimuleren. Panteia voerde een tussentijdse evaluatie uit naar de resultaten en doeltreffendheid van beide regelingen.

Met 20.546 deelnemers is het bereik van de scholingsvoucher hoger dan vooraf was verwacht. In totaal is voor deze tussenrapportage bij 4.202 (voormalige) deelnemers van de scholingsvoucher een enquête afgenomen. Voor bijna een derde van deze deelnemers heeft de scholingsvoucher ervoor gezorgd dat zij een opleiding of EVC-traject zijn gaan volgen, die zij zonder voucher niet hadden gevolgd. Daarnaast heeft het vereiste van de scholingsvoucher dat de scholing gericht moet zijn op een kansberoep meer dan de helft van de deelnemers gestimuleerd na te denken over een verandering van beroep. Ook meent ongeveer 70% dat zijn of haar arbeidsmarktkansen door gebruik van de scholingsvoucher zijn vergroot. Tot slot heeft de scholingsvoucher onder veel voormalige deelnemers hun scholingsbereidheid verhoogd. Wel zou bijna de helft alleen scholing gaan volgen als zij weer gebruik konden maken van de scholingsvoucher.

Met slechts 80 deelnemers ligt het gebruik van de Brug-WW veel lager dan vooraf was verwacht. Voornaamste reden was de onbekendheid met de regeling onder WW-ers en werkgevers. Door dit beperkte gebruik zijn er voor deze tussenevaluatie echter onvoldoende gegevens beschikbaar om tot ‘harde’ conclusies over de effectiviteit van de Brug-WW te kunnen komen. (Bron en meer: Panteia, 19 jul. 2018)

Ondernemers denken graag mee over nieuw scholingsfonds

MKB-Nederland en VNO-NCW denken graag mee met het plan van de coalitie om 48 miljoen te reserveren voor kleine(re) bedrijven die moeite hebben met het vinden van geschikt personeel. Met het voorgestelde scholingsfonds zouden bedrijven makkelijker werknemers zelf kunnen opleiden en in dienst kunnen nemen.

Het geld kan tevens gebruikt om goede formules te vinden om ondernemers en werknemers in kleinere bedrijven verder te ontwikkelen en daarmee een scholingscultuur te realiseren. In kleine bedrijven is vaak geen HR-afdeling en is het dus aan de ondernemer zelf om met personeelsbeleid en scholing mee aan de slag te gaan. (Bron: MKB, 31 jan. 2019)

Redactie: Over het doel zijn (de meeste) partijen het eens: geld reserveren voor het vinden en opleiden van geschikt personeel voor de kleinere bedrijven. De coalitie (niet-regeringspartijen) denkt aan een scholingsfonds, het kabinet denkt aan een verruiming van de werkkostenregeling voor kleine bedrijven.

Studietoeslag voor student met medische beperking overal € 300 per maand

Studenten die niet kunnen bijverdienen naast hun studie vanwege hun medische beperking krijgen binnenkort rond de € 300 studietoeslag per maand. Het gaat om studenten die ook studiefinanciering ontvangen. Het bedrag is op gelijke hoogte gesteld met de studieregeling in de Wajong2010 en is ook in lijn met de motie Raemakers. Dit maakt staatssecretaris Tamara van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bekend in een brief aan de Tweede Kamer.

De studietoeslag per maand is straks overal hetzelfde. Daarnaast zal ook de aanvraag- en toekenningsprocedure gelijk worden getrokken. De uitvoering van de individuele studietoeslag blijft bij gemeenten. Zij mogen alvast vooruitlopen op de wetswijziging die per 1 januari 2021 ingaat.

Bijna een half miljard extra naar onderwijs

Het kabinet maakt structureel 481 miljoen euro vrij voor het onderwijs. Met een extra bedrag van circa 450 miljoen euro uit de algemene middelen wordt de financiële tegenvaller gedekt, die was ontstaan door hogere aantallen leerlingen en studenten dan verwacht. Voor de landelijke aanpak van het lerarentekort komt er 32 miljoen euro extra. Dat blijkt uit de Voorjaarsnota, die vandaag naar de Tweede Kamer is gestuurd. “We zijn erg blij dat in deze moeilijke tijd vanwege het coronavirus, toch een flink bedrag naar het onderwijs gaat”, zeggen onderwijsministers Van Engelshoven en Slob.

Voor de landelijke aanpak van het lerarentekort trekt het kabinet dit jaar 29 miljoen euro extra uit en structureel 32 miljoen euro, bovenop de eerdere investeringen. Hoe dit geld precies wordt besteed, zal nader worden uitgewerkt. (Bron: NOG, 24 apr. 2020)

Lagere transitievergoeding door verrekenen scholing

Sinds 1 juli 20202 zijn er meer mogelijkheden gekomen om opleidingskosten te verrekenen met de uit te keren transitievergoeding bij het einde van het dienstverband. Dit heeft te maken met het, vanwege de coronacrisis, toenemend risico op werkloosheid en de aangescherpte inspanningsverplichting van ondernemers om werknemers te stimuleren aan bij- en omscholing te doen. De HR-adviseurs van Flynth kunnen ondernemers helpen bij het opstellen van een concreet opleidingsplan om hieraan te voldoen.  

Door de coronacrisis is een nieuwe economische situatie ontstaan, waar ondernemers en werknemers zich aan moeten aanpassen. Zo heeft elke ondernemer die de NOW 2.0 heeft aangevraagd, een inspanningsverplichting op zich genomen om werknemers te stimuleren om aan bij- en omscholing te doen. Daarnaast zorgt de coronacrisis voor een toenemend risico op werkloosheid. Voor werknemers is het dan ook van het grootste belang om, in geval van ontslag, met de juiste kennis en vaardigheden de arbeidsmarkt op te gaan. (Bron: Flynth, 22 sep. 2020

Nieuwe regels studiekostenbeding en nevenwerkbeding

Een Europese richtlijn zorgt ervoor dat in de loop van 2022 nieuwe regels zullen gelden voor het studiekostenbeding en nevenwerkzaamhedenbeding. Ook krijgen werknemers jaarlijks de kans om een verzoek in te dienen voor ‘voorspelbare arbeidsvoorwaarden’.
  
Vanuit de Europese Unie (EU) is de richtlijn ‘transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden’ opgesteld. Deze richtlijn geeft werknemers meer rechten en bewegingsvrijheid op de arbeidsmarkt. Uiterlijk 1 augustus 2022 moet Nederland de richtlijn in de eigen wetgeving hebben verwerkt. Rijksoverheid liet onlangs weten dat de ministerraad akkoord is gegaan met de implementatie. Het is nu wachten op de publicatie van een officieel wetsvoorstel, dat nog ter keuring langs de Tweede en Eerste Kamer zal gaan. Het wetsvoorstel bevat niet alle maatregelen uit de richtlijn; een deel is namelijk al van toepassing in Nederland.

Verplichte informatie in maand na indiensttreding

De richtlijn zorgt voor arbeidsrechtelijke wijzigingen. Het gaat onder meer om het volgende:
  • De werkgever moet betalen voor opleidingen die verplicht zijn op basis van de wet of cao. Voor deze opleidingen mag de werkgever niet meer in een studiekostenbeding (tool) vastleggen dat de werknemer (een deel van) de studiekosten moet terugbetalen als hij binnen een bepaalde periode na het volgen van de opleiding uit dienst treedt. Ook wordt het volgen van de opleiding als arbeidstijd beschouwd.
  • De werkgever mag een werknemer niet belemmeren om buiten het werkrooster te gaan werken voor een andere werkgever (nevenwerkzaamheden), tenzij hiervoor een ‘objectieve rechtvaardigingsgrond’ is. Deze regel vraagt mogelijk om een aanpassing van het nevenwerkzaamhedenbeding (tool), dat vaak wordt opgenomen in de arbeidsovereenkomst.
  • Een werknemer mag vanaf een dienstverband van 26 weken maximaal één keer per jaar een verzoek doen voor een vorm van arbeid met meer voorspelbare arbeidsvoorwaarden. Dat geeft meer zekerheid over het inkomen.
  • De werkgever wordt verplicht om bij indiensttreding meer schriftelijke informatie aan de werknemer te verstrekken over zijn arbeidsvoorwaarden, rechten en plichten. Binnen een week na de eerste werkdag gaat het om de belangrijkste gegevens, waaronder de plaats van het werk, de aard van de arbeid, de startdatum en (bij een tijdelijk contract) de einddatum, het basisloon en andere loonbestanddelen, de duur van een werkdag en bij onvoorspelbare werkpatronen de tijdstippen waarop de werknemer verplicht kan worden om te werken. Binnen een maand na de eerste werkdag informeert de werkgever ook nog over zaken als de hoeveelheid betaalde vrije dagen, het eventuele recht op opleiding, de opzegtermijn en de cao. Deze informatieverplichting komt grotendeels overeen met de huidige wetgeving.

Studiekosten is op zich al een studie waard

Laten we studie- of ontwikkelingskosten eens in een breder perspectief plaatsen. Er zijn namelijk diverse omstandigheden:

  1. Studiekosten die door de werkgever worden vergoed of bekostigd
  2. Studiekosten die de werknemer privé maakt
  3. Studiekosten, die worden vergoed door een STAP-budget
  4. En wanneer mogen studiekosten teruggevorderd worden

De werkgever bekostigt de studiekosten en er is een studiekostenbeding

De werknemer volgt in het kader van zijn functie een opleiding. De werkgever betaalt alle kosten, maar heeft in de arbeidsovereenkomst wel een studiekostenbeding opgenomen, waarin wordt gesteld, dat de werknemer de kosten geheel of gedeeltelijke moet terugbetalen wanneer het dienstverband eindigt. Er is echter wel een restrictie aan het terugvorderen van de kosten; het mag bijvoorbeeld alleen wanneer de werknemer zelf ontslag neemt.

Wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsovereenkomst wordt niet verlengd c.q. wanneer van de werknemer redelijkerwijs niet verlangd kan worden het dienstverband voort te zetten, dan kunnen de studiekosten niet teruggevorderd worden. Zie ook: Vraagbaak (hr-kiosk.nl)

Per 1 augustus 2022 komen er ook nieuwe regels bij voor het studiekostenbeding. Vanaf die datum mag voor verplichte opleidingen op basis van de wet of de cao helemaal geen terugvordering van studiekosten meer worden toegepast.Dus ook niet wanneer de medewerker zelf ontslag neemt. Daarbij geldt géén overgangsrecht.

Zie ook: Opleidingsbeding (hr-kiosk.nl)

Wanneer mag een werkgever privé studiekosten vergoeden?

  • De studiekosten worden niet al door een ander vergoed;
  • De opleiding is gericht op het vervullen van een beroep in de toekomst;
  • De werkgever heeft de vergoeding toegezegd of verstrekt voor het einde van het kalenderjaar waarin de kosten worden gemaakt.

Eventueel kunnen deze studiekosten verruild worden met een bruto looncomponent (cafetariasysteem, PKB).

NB: Vergoedingen voor een studieruimte en de inrichting ervan behoren wel tot het belastbaar loon.

Nieuwe werkgever vergoedt studieschuld

Een werknemer die een studieschuld bij zijn oude werkgever heeft en bij een nieuwe werkgever in dienst treedt, kan bedingen dat de nieuwe werkgever zijn studieschuld vergoedt. Deze vergoeding voor de studieschuld is een vergoeding voor op de werknemer drukkende kosten en is daarom een vrije vergoeding, dan wel gericht vrijgesteld (mits aangewezen).

N.B. Het moet wel gaan om een studie voor een beroep of om bij te blijven in je beroep.

Aanvullende voorwaarde

Er geldt echter wel een aanvullende voorwaarde, namelijk dat de nieuwe werkgever de vergoeding voor de studiekosten betaalt of onvoorwaardelijk toezegt in het kalenderjaar waarin de werknemer de studieschuld terugbetaalt. Ontbreekt een dergelijke toezegging en vergoedt de werkgever een studieschuld die de werknemer in een eerder jaar heeft gemaakt, dan is er geen sprake meer van op hem drukkende kosten (de kosten drukten immers op het voorgaande jaar op hem). De vergoeding van studiekosten kan dan ook niet worden aangemerkt als een vrije vergoeding. In het jaar waarin de werknemer de kosten heeft gemaakt, kan hij in zijn aangifte inkomstenbelasting wel een aftrek voor scholingsuitgaven claimen. Als de nieuwe werkgever de studieschuld van de werknemer direct met diens oude werkgever vereffent, maakt de werknemer zelf geen kosten en heeft hij geen aftrekmogelijkheid in de inkomstenbelasting. De betaling aan de oude werkgever heeft voor de werknemer geen gevolgen voor de loonheffingen.

Bij een studie die in 2021 is gevolgd en de kosten daarvoor ook in 2021 verschuldigd waren, is het duidelijk dat deze kosten niet in 2022 nog door de werkgever vergoed mogen worden, tenzij de werkgever al in 2021 een nadrukkelijke toezegging daarvoor heeft gedaan.

Studieschuld bij DUO

Maar hoe staat het nu met een studieschuld bij DUO, is dat een lening of een studieschuld?
De studieschuld bij o.a. DUO is een feitelijk een lening, die het vermogen vermindert. Dus mocht je in Box 3 van de IB aangifte vermogensbelasting moeten betalen, dan wordt een studieschuld (overigens alle financiële schulden) in mindering gebracht op het vermogen. Wanneer een werkgever een deel van de studieschuld vergoedt, dan is dit inkomen c.q. loon voor de Belastingdienst.

STAP-budget

Het STAP-budget vervangt de fiscale aftrek van scholingskosten. Per 1 januari 2022 zijn studiekosten en andere scholingsuitgaven niet meer aftrekbaar voor de Inkomstenbelasting (IB). In plaats daarvan komt er een subsidieregeling STAP-budget voor werkenden en werkzoekenden. STAP staat voor stimulering Arbeidsmarktpositie. Vanaf 1 maart 2022 kan een aanvraag ingediend worden bij het UWV.

Deze studieregeling heeft nog wel wat voeten in de aarde v.w.b. de uitvoering. Lees meer Leven lang leren (hr-kiosk.nl) en het redactioneel commentaar op deze nieuwe studievoorziening.

N.B. De werkgever mag nog steeds de studiekosten vergoeden, die privé zijn aangegaan.

Zijn studievoorzieningen aftrekbaar voor de V&W?

Voorzieningen zijn toekomstige kosten die nu alvast worden geboekt (geactiveerd) en daarmee de belastbare winst drukken. Door een voorziening op te voeren, gaat dit dus ten laste van de Verlies & Winstrekening.

Op een voorziening kunnen periodiek, bedragen gestort worden met als doel het saldo op een toekomstig moment te gebruiken. Een voorbeeld van een voorziening is het groot onderhoud van gebouwen of de opbouw van pensioen. Een voorziening mag alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor het oorspronkelijk werd gevormd. Kan dit doel niet (meer) worden bereikt dan moet het saldo alsnog ten gunste van de belastbare winst worden gebracht.

Een pensioenvoorziening is b.v. een voorziening waarbij onbelast bedragen opzij gezet worden, die later wel worden belast. Naar onze mening is een ontwikkelingsbudget ook een voorziening.  Dus mag een werkgever op personeelsniveau bedragen reserveren om toekomstige studiekosten te kunnen financieren.

Subsidie van € 3.750,00 voor omscholing naar ICT of techniek

29 september 2022  

Werkgevers die één of meerdere werknemers willen laten omscholen naar een beroep in de techniek of ICT, kunnen hiervoor tot en met 1 december 17.00 uur subsidie aanvragen. Het subsidiebedrag bedraagt € 3.750 per omscholingstraject en er geldt een maximum van zes trajecten per werkgever.

De Subsidieregeling omscholing naar kansrijke beroepen in de ICT en techniek is één van de personeelsgerelateerde subsidies (artikel) en is in het leven geroepen om werkgevers financieel te ondersteunen bij het aanbieden van een omscholingstraject naar één van de krapteberoepen in de ICT of techniek. De regeling is niet alleen voor bestaande werknemers; werkgevers kunnen de subsidie ook aanvragen voor nieuwe werknemers uit een andere beroepsgroep.

Werkgever moet aan veel voorwaarden voldoen

Om in aanmerking te komen voor de subsidieregeling, moet een werkgever aan een trits voorwaarden voldoen. Zo mag de werknemer voor wie de subsidie bedoeld is onder meer vóór 1 juli van dit jaar niet hebben gewerkt in de beroepsgroep waarvoor hij omgeschoold wordt, mag hij in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag geen voortgezet onderwijs hebben gevolgd en moet hij het nieuwe beroep voor minimaal de helft van de werktijd uitvoeren. Ook moet het traject minimaal
€ 7.500 kosten, waardoor de werkgever altijd ten minste 50% van het omscholingstraject zelf moet bekostigen. Bovendien mag de werkgever voor het omscholingstraject geen subsidie hebben ontvangen vanuit de subsidieregeling praktijkleren of de SLIM-regeling.

RVO kan subsidie terugvorderen

Er is € 10 miljoen beschikbaar voor de regeling, goed voor in totaal 2.666 omscholingstrajecten. Binnen acht weken neemt het ministerie van Economische Zaken en Klimaat een beslissing over de aanvraag voor de subsidie, die als voorschot wordt uitbetaald. Als bij een controle van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) blijkt dat een werkgever niet aan (één van) de voorwaarden voldoet, vordert RVO de subsidie terug. De aanvraag verloopt via rvo.nl. Voor de aanvraag heeft een werkgever het digitale inlogmiddel eHerkenning nodig met machtiging RVO diensten op minstens betrouwbaarheidsniveau 2+.

Veel bedrijven zetten scholingsbudget niet in voor personeel: ‘Mensen vaak niet op de hoogte’

Bedrijven stellen meer geld ter beschikking aan hun personeel voor scholing en ontwikkeling, maar dat budget blijft vaak grotendeels onbenut. 

Dat blijkt uit onderzoek dat leerplatform Studytube liet doen door marktonderzoeksbureau Motivaction/Sparkey. Het individuele scholingsbudget is in een jaar gestegen met gemiddeld 25 procent, van 800 euro in 2021 tot 1000 euro in 2022. Tegelijkertijd blijft er meer op de plank liggen dan de jaren daarvoor. Zo bleef bij bijna 40 procent van de organisaties de helft of meer van het geld onbenut. Dat was in 2020 31 procent en in 2021 29 procent.

Volgens het onderzoek maken zeven op de tien bedrijven maximaal driekwart van het totale budget op. Zo’n 10 procent geeft maximaal een kwart van het budget uit, 27 procent maximaal de helft en 34 procent tussen de helft en driekwart, 14 procent heeft geen idee hoeveel er wordt uitgegeven.

De voornaamste reden: onwetendheid

Een belangrijke reden dat bij veel organisaties dit geld in kas blijft, is volgens Studytube onwetendheid. Zo weet van de hr-professonals bijna de helft niet hoeveel persoonlijk budget er beschikbaar is, van de werknemers tast 66 procent in het duister. Een andere verklaring is dat werknemers er niet direct van profiteren. Zo is het budget vaak niet gekoppeld aan een beloning, zoals salarisverhoging of promotie.

Knelpunt

Werkgeversorganisatie AWVN is niet verrast door de uitkomsten. Volgens woordvoerder Jannes van der Velde is het aantal cao’s met afspraken over een individueel budget voor duurzame inzetbaarheid de afgelopen jaren flink gestegen. Maar ook AWVN ziet dat het budget in de praktijk vaak onbenut blijft. ,,Het geld is er wel, maar vaak zijn mensen er niet van op de hoogte. Als het wel bekend is, weten ze niet wat ze ermee moeten of kunnen doen qua leren en ontwikkelen. Daar zit een groot knelpunt’’, constateert Van der Velde.

Patrick Fey, vicevoorzitter van vakbond CNV, vindt het vooral een gemiste kans dat de scholingsbudgetten slecht worden benut. ,,Juist in een tijd dat werk sneller verandert dan ooit door technologische ontwikkelingen. Het is noodzakelijk dat werkenden nieuwe vaardigheden aanleren en gebruikmaken van beschikbare opleidingsgelden’’, aldus Fey.

CNV roept werkgevers, leidinggevenden en hr-professionals dan ook op om werknemers beter te informeren over opleidingsmogelijkheden. Daarnaast vindt de vakbond dat werkgevers een perspectief moeten bieden na de opleiding: bijvoorbeeld salarisverhoging of een interessanter functiepakket.

Werknemers hebben een grote keuzevrijheid als het gaat om de besteding van hun scholingsbudget. Het kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor een opleiding die niet per se hoeft aan te sluiten bij de huidige functie. Het kan ook worden ingezet voor loopbaanadvies of om te leren een betere werk-privébalans te krijgen.

Studiekostenbeding rechtsgeldig. Geen verplichte opleiding

Het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst is rechtsgeldig. Het betreft geen verplichte opleiding. Dat oordeelt de kantonrechter.

De werknemer is per 1 september 2019 in dienst getreden bij de werkgever als eerste automonteur. In de arbeidsovereenkomst is een studiekostenbeding opgenomen. Gedurende zijn arbeidsovereenkomst heeft de werknemer meerdere studies gevolgd waarvan de werkgever de kosten heeft betaald. de werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 februari 2023. Bij de eindafrekening heeft de werkgever een bedrag van € 3.678,38 aan studiekosten verrekend met het loon dat de werknemer nog tegoed had. De werknemer eist in deze procedure dat de werkgever dit bedrag alsnog aan hem uitbetaalt.
Mocht de werkgever de kosten voor de opleidingen en cursussen die de werknemer tijdens de arbeidsovereenkomst heeft gevolgd, bij de eindafrekening verrekenen met het loon?
De kantonrechter komt tot het oordeel dat dit op grond van het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst inderdaad mocht, zodat de eis van de werknemer tot terugbetaling van de studiekosten wordt afgewezen.

Studiekostenbeding en geldende eisen

De werknemer en de werkgever zijn zowel in de eerste arbeidsovereenkomst (voor bepaalde tijd) als in de tweede overeenkomst (voor onbepaalde tijd) het volgende studiekostenbeding overeengekomen:
“ Artikel 6 — Scholing
Werkgever zal de door of voor werknemer gemaakte scholingskosten, welke betrekking hebben op alle vooraf overeengekomen nog te volgen cursussen vooruit betalen na overlegging van de originele factuur.
Indien binnen 24 maanden na het behalen van een dergelijke diploma en/of certificaat het dienstverband wordt beëindigd zullen alle door werkgever betaalde scholingskosten evenredig naar het aantal binnen deze periode vallende maanden met werknemer worden verrekend. “
Het studiekostenbeding is niet in de wet geregeld, maar uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het systeem van de wet zich niet zonder meer verzet tegen een financiële regeling tussen een werkgever en een werknemer op grond waarvan de werkgever kosten ten behoeve van de scholing van de werknemer wil terugvorderen.

Uitleg studiekostenbeding werknemer

De werknemer stelt zich op het standpunt dat hij geen studiekosten hoeft terug te betalen omdat hij de studies die de werkgever bij hem in rekening brengt, niet heeft behaald. Hij wijst hiervoor op de zinsnede “ na het behalen van een dergelijke [sic] diploma en/of certificaat ” in het studiekostenbeding.
Volgens de werkgever daarentegen is de periode van 24 maanden nooit gaan lopen, omdat de werknemer de studies niet heeft behaald en heeft de werkgever uit coulance onverplicht afgeschreven op de studiekosten.
Beide partijen leggen het studiekostenbeding volgens de kantonrechter niet juist uit. Voor de uitleg van het studiekostenbeding moet namelijk niet alleen worden gekeken naar de taalkundige uitleg van die bepaling, maar ook naar de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en naar hetgeen zij op grond daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Volledige kosten opleidingen betalen

Uit het studiekostenbeding kan worden afgeleid dat de werkgever de volledige kosten van de opleidingen van de werknemer wilde betalen, voor zover de werkgever gedurende een periode van minimaal 24 maanden zou kunnen profiteren van de kennis en ervaring die de werknemer hierdoor zou opdoen. Het studiekostenbeding gaat uit van de ideale situatie dat een opleiding die wordt gevolgd ook succesvol wordt afgerond.

Opleiding kan eindigen zonder certificaat of diploma

Partijen hebben er bij de totstandkoming van het beding blijkbaar niet bij stilgestaan dat een opleiding ook kan eindigen zonder diploma of certificaat.
Volgens de uitleg die de werknemer aan het studiekostenbeding geeft, hoeft hij in dat laatste geval nooit studiekosten terug te betalen, ondanks dat hij de betreffende opleiding wel heeft gevolgd en de werkgever de kosten daarvoor heeft betaald.
Wel of niet terugbetalen?
Gelet op de investeringen van de werkgever en het kenbare oogmerk van de werkgever dat hij gedurende enige tijd van de betaalde opleiding wilde profiteren, mocht de werknemer er op grond van het studiekostenbeding redelijkerwijs niet op vertrouwen dat hij niet behaalde, maar wel gevolgde opleidingen nooit hoefde terug te betalen aan de werkgever bij een voortijdig vertrek.
Volgens de uitleg van de werkgever aan de andere kant moet de werknemer de kosten voor (wel gevolgde, maar) niet behaalde opleidingen altijd terugbetalen bij het einde van de arbeidsovereenkomst, ongeacht hoe lang de arbeidsovereenkomst nadien nog heeft geduurd. Deze uitleg ligt evenmin voor de hand en de werknemer hoefde dit op grond van het studiekostenbeding niet te verwachten.

Redelijke uitleg afspraken

Een redelijke uitleg van de afspraken tussen partijen brengt met zich mee dat de tijdspanne waarin de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de werknemer gevolgde opleiding begint op het moment dat de opleiding (al dan niet succesvol) is geëindigd en dat op dat moment de terugbetalingsverplichting evenredig begint te verminderen.
Studiekostenbeding is rechtsgeldig
Voor het overige is het studiekostenbeding, dat zowel in de eerste, tijdelijke arbeidsovereenkomst is opgenomen als in de tweede arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, duidelijk en voldoet het aan de overige eisen die daarvoor gelden: het beding stelt de periode vast waarin de werkgever baat heeft van de opleiding (24 maanden) en bepaalt dat de terugbetalingsverplichting naar evenredigheid vermindert.

Globale studiekosten bekend

De hoogte van de studiekosten staat weliswaar niet vermeld in het beding, maar de werknemer wist wel globaal om hoeveel kosten het ging. De werknemer was namelijk bekend met de kosten van een deels vergelijkbare opleiding bij zijn vorige werkgever die ongeveer € 4.000 bedroegen, zoals de werknemer tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard. Dit bedrag komt ongeveer overeen met het bedrag waar de werkgever aanspraak op maakt. Bovendien ontving de werknemer zelf een deel van de facturen van de opleiding en moest hij deze bij de werkgever declareren.

Onvoldoende onderbouwing dat opleidingen verplicht waren

De werknemer voert nog aan dat hij geen inspraak heeft gehad in het volgen van de studies en dat het niet volgen van de studies geen realistische optie was. Ook deze stelling leidt er niet toe dat de werknemer de opleidingskosten niet hoeft terug te betalen.
De kantonrechter wil wel aannemen dat de werkgever de werknemer heeft gestimuleerd om bepaalde opleidingen te volgen, maar de werknemer heeft onvoldoende onderbouwd dat de voorgestelde opleidingen verplicht waren en dat hij deze niet kon weigeren.
Bovendien heeft de werknemer tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij ook zelf wilde doorgroeien van ‘niveau 3’ naar ‘niveau 4’, voor zijn eigen ontwikkeling.

Scholing niet verplicht voor functie werknemer

De werknemer stelt dat de kosten van een aantal opleidingen voor rekening van de werkgever komen, omdat de werkgever verplicht was de werknemer deze scholing te verstrekken om het werk waarvoor hij was aangenomen, uit te voeren. Ook dit standpunt wordt verworpen.
De werknemer is aangenomen als eerste monteur. Partijen zijn het erover eens dat de werknemer geen aanvullende opleiding nodig had om zijn werkzaamheden als eerste monteur uit te kunnen voeren. de werknemer stelt weliswaar dat hij apk-keuringen moest verrichten, maar dit maakt geen deel uit van de functie waarvoor hij is aangenomen.
Voor zover de werknemer in zijn functie van automonteur werkzaamheden uitvoerde die (ook) deel uitmaken van apk-keuringen, was dit onder de verantwoordelijkheid van een apk-keurmeester, zoals de werkgever terecht stelt.

Werkgever hoeft scholing niet kosteloos aan te bieden

De werkgever was op grond van de arbeidsovereenkomst of wettelijke bepalingen niet gehouden de werknemer op te (laten) leiden tot apk-keurmeester en dus ook niet om de scholing hiervoor kosteloos aan te bieden. De cursus Veilig Werken aan E-voertuigen heeft de werkgever niet bij de werknemer in rekening gebracht, zodat zijn stellingen op dit punt niet hoeven te worden besproken.

Werkgever mag btw aan werknemer doorbelasten

Volgens de werknemer brengt de werkgever onterecht ook de btw bij hem in rekening, terwijl de werkgever de btw kan aftrekken bij de aangifte omzetbelasting. De kantonrechter volgt de werknemer hierin niet. De werknemer is uiteindelijk als afnemer van de opleidingen de btw over de opleidingskosten verschuldigd.
De facturen waar de werknemer op doelt, zijn gericht aan de werkgever. De werkgever kon de btw van deze facturen terugvragen bij de Belastingdienst, zoals hij ook stelt te hebben gedaan.

Werkgever belast btw niet dubbel door

De werknemer voert geen feiten of omstandigheden aan waaruit zou volgen dat de werkgever de btw die de werknemer aan de werkgever moet betalen niet zal afdragen of al heeft afgedragen aan de Belastingdienst, zoals hij wettelijk verplicht is te doen. Er is dan ook geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de werkgever de btw dubbel doorbelast aan de werknemer .
De werknemer wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 21 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8828

Deze uitspraak laat zien dat in elk geval er een "studiekostenovereenkomst" gemaakt moet worden om misverstanden te voorkomen. Daarbij moet men zich ook rekenschap geven dat, zelf als dit in de overeenkomst staat, in bepaalde gevallen terugvordering wettelijk niet eens mogelijk is.  Lees hiervoor: Studiekosten | HR-kiosk.nl

Samenvatting

  • De studiekosten van scholing die de werkgever op grond van toepasselijk Unierecht, toepasselijk nationale recht, een collectieve arbeidsovereenkomst, of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is om aan de werknemer te verstrekken om het werk waarvoor hij is aangenomen uit te voeren mogen door een werkgever niet op de werknemer worden verhaald. Doet hij dat toch, dan is het studiekostenbeding nietig.
  • Sluit in een studiekostenbeding dus altijd deze kosten uit. In de regeling moet de tijd worden vastgesteld gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben bij de door de werknemer tijdens zijn studie opgedane kennis en vaardigheden. In de regeling moet worden bepaald dat de werknemer de studiekosten en/of het loon over de duur van de studie, moet terugbetalen, als de arbeidsovereenkomst tijdens de studie of direct daarna wordt beëindigd.
  • Een studiekostenbeding moet schriftelijk worden overeengekomen.
  • De terugbetalingsverplichting moet in tijd evenredig afnemen. 
  • Het studiekostenbeding mag niet in strijd zijn met de bepalingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
  • De gevolgen van de verplichting tot terugbetaling moeten voor de werknemer duidelijk zijn geweest.
  • Bovendien mag het terugvorderen van de studiekosten niet in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.