Situatieve arbeidsongeschiktheid    Sociale Verzekeringsbank (SVB) 


Sociale verzekeringen

Datum laatste wijziging: 10 augustus 2019  |  Trefwoorden: Sociale verzekeringen, Werknemersverzekeringen, Volksverzekeringen, Sectorindeling

Inhoud

  1. Volks- en werknemersverzekeringen
  2. Premies
  3. Begrippen dagloon en maximumdagloon
  4. Sectoraansluiting
  5. Berekening premies sociale verzekeringen
  6. Afdracht
  7. Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst
  8. Ambtenaren
  9. Verplicht of vrijwillig?
  10. Uitvoering volks- en werknemersverzekeringen
  11. Overzicht instanties uitvoering sociale zekerheid (situatie 2011)
  12. Sociale uitkeringen naar het buitenland
  13. Zit u in de juiste sector?
  14. Sectorpremie, hoog of laag?
  15. Verzekeraars maken verwachting van betere preventie en re-integratie nog niet waar
  16. Belastingdienst gaat actief sectorindeling werkgevers controleren
  17. Regeling indeling uitzendondernemingen in vaksector afgeschaft
  18. Uitzondering uitzendovereenkomsten personeelsvennootschappen
  19. Sectorpremies 2018
  20. Hoge en lage sectorpremie WW voor alle sectoren?
  21. Sectorverloning aangenomen en weer uitgesteld
  22. Belastingdienst verduidelijkt percentage sectorpremie
  23. Eigenrisicodragerschap populair bij grote bedrijven
  24. Sectorpremies 2019
  25. Nieuwe Gedifferentieerde WW-premie naar de Tweede Kamer
  26. Wijziging van Regeling Wfsv gepubliceerd

Volks- en werknemersverzekeringen

De sociale verzekeringen worden verdeeld in volksverzekeringen, werknemersverzekering en Zorgverzekeringswet.

De volksverzekeringen, die gelden voor alle ingezetenen, zijn:
  1. Algemene Ouderdomswet (AOW);
  2. Algemene Nabestaandenwet (Anw);
  3. Algemene Kinderbijslagwet (AKW);
  4. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
De werknemersverzekeringen*, die alleen gelden voor (ex)werknemers, zijn:
  1. Werkloosheidswet (WW);
  2. Ziektewet (ZW)**;
  3. Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO, tot 1 januari 2006);
  4. Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) vanaf 1 januari 2006 (formeel vanaf 29 december 2005).
* De wetten WAO/WIA, ZW en WW zijn ook op overheidspersoneel van toepassing verklaard.
** Alleen uitzendkrachten, zwangere vrouwen en werknemers die geen werkgever (meer) hebben vallen nog onder de Ziektewet. De nieuwe Zorgverzekering is geen sociale verzekering, maar een private verzekering, die wordt uitgevoerd door private verzekeraars.





Premies

De premie voor de volksverzekeringen worden betaald door alle ingezetenen die een inkomen krijgen en wel via de eerste twee belastingschijven. De premie voor de volksverzekeringen worden betaald door alle ingezetenen die een inkomen hebben en wel via de eerste twee belastingschijven. De premies voor de werknemersverzekeringen***; betalen werkgevers en werknemers volgens een verdeelsleutel (in 2009/2010 betaalt alleen de werkgever), de hoogtes van de premies worden genoemd in de Werknemersverzekeringen (tabellen).
*** Premies werknemersverzekeringen zijn alleen verschuldigd over loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Er zijn geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd over loon uit vroegere dienstbetrekking zoals pensioenuitkeringen.

Begrippen dagloon en maximumdagloon

Bij de berekening van zowel de te innen premies van de werknemersverzekeringen WW en WAO/WIA als de uitkeringen houdt men rekening met het dagloon en het maximumdagloon:
Het dagloon is het loon dat een werknemer gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij recht kreeg op de uitkering. Voor de berekening van het dagloon wordt uitgegaan van het loon waarover de Belastingdienst premies heft.
Het maximumdagloon is het maximale loon per dag waarmee uitkeringsinstanties rekenen als ze de hoogte van een uitkering volgens de werknemersverzekeringen bepalen.
De premies en uitkeringen van de WW zijn lager dan de WAO/WIA omdat voor de berekening het inkomen wordt verminderd met een franchise.

De hoogte van het maximumdagloon is te vinden in subrubriek Maximumdagloon (tabellen).

Sectoraansluiting

Voor de werknemersverzekeringen zijn alle ondernemingen verdeeld in sectoren. Elke sector bestaat uit een of meer bedrijfs- of beroepstakken of gedeelten daarvan. De werkgever is verplicht zich bij een van de sectoren aan te sluiten. Bij welke sector de werkgever is aangesloten, is afhankelijk van de werkzaamheden die de onderneming verricht. Uitgangspunt is dat werkgevers met dezelfde werkzaamheden bij dezelfde sector zijn aangesloten. De sectoraansluiting bepaalt de hoogte van de sectorpremie die de werkgever moet betalen.

Berekening premies sociale verzekeringen

Tot 1 januari 2006 werden de premies voor de sociale verzekeringen berekend op basis van het (variabele) aantal SV-dagen (sociale verzekeringsdagen)****, die van belang waren voor de berekening van maximale premielonen, franchises en uitkeringen van de werknemersverzekeringen (WW, WIA en Anw).
Vanaf 2006 gelden vaste bedragen per loontijdvak, ongeacht het aantal feitelijk gewerkte dagen. Onder loontijdvak wordt verstaan het tijdvak waarover het loon wordt genoten (het zogeheten loontijdvak), te weten een dag, een week, vier weken, een maand. De berekening vindt voortaan plaats op basis van zogeheten Voortschrijdend Cumulatief Rekenen (VCR). Dit houdt in dat de verschuldigde premie werknemersverzekeringen van bijvoorbeeld april moet worden berekenend door de verschuldigde premie over het gecumuleerde loon tot en met april te bepalen. Hier moet dan de al berekende premie tot en met maart van worden afgetrokken. Zo resteert de premie voor april. Deze methode heeft als voordeel dat er achteraf geen correcties nodig zijn. Meer informatie over VCR is te vinden op de Toelichting loonberekening VCR 2011.

**** SV-dagen worden wel gebruikt bij de aangifte van de loonheffingen. Het aangiftetijdvak is meestal een periode van een kalendermaand of van 4 weken. Het aantal SV-dagen is tegenwoordig gesteld op 261 per jaar en 21,75 per maand.

Afdracht

De afdracht van premies voor de werknemersverzekeringen aan de Belastingdienst***** is de verantwoordelijkheid van de werkgever. Een deel van de premie houdt de werkgever in op het loon, het werknemersdeel. De rest betaalt hij zelf, het werkgeversdeel.

***** Het UWV was tot 2005 belast met de inning van premies werknemersverzekeringen. Vanaf 1 januari 2006 worden ook de sociale premies geïnd door de Belastingdienst.

Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst

Op 4 april 2002 is de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) officieel van start gegaan. Belangrijke taken van de SIOD betreffen het bestrijden van grootschalige illegale tewerkstelling (naar schatting 50.000 arbeidsjaren per jaar), premie- en subsidiefraude*. Het is de bedoeling dat de SIOD vanaf 2003 jaarlijks 60 tot 100 complexe en grootschalige fraudezaken zal aanpakken.

* Zie ook subrubriek Fraude.

Vanaf 2012 is de SIOD tezamen met de Arbeidsinspectie (AI) en Inspectie Werk en Inkomen (IWI) samengevoegd tot één inspectiedienst voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De nieuwe naam is Inspectie SZW.

Ambtenaren

De ambtenaren hebben in de sociale zekerheid een bijzondere rechtspositie. Een belangrijk argument hiervoor was altijd dat de overheid niet alleen optreedt als werkgever, maar dat zij tegelijkertijd tot taak heeft het algemeen belang te behartigen. De laatste twee decennia is een proces in gang gezet, waarbij de rechtspositie van ambtenaren steeds meer marktconform wordt behandeld. In de OOW-operatie (Overheidspersoneel onder de Werknemersverzekeringen) zijn de wetten WAO (in 1998), de ZW en de WW (beide in 2001) op overheidspersoneel van toepassing verklaard.

Niettemin, er zijn nog steeds grote verschillen; dit zijn onder meer het ontslagrecht en -beleid, vergoedingsregelingen (bijvoorbeeld reiskostenvergoeding) en uittreden voor de pensioengerechtigde leeftijd.

Verplicht of vrijwillig?

Typerend voor het stelsel van sociale zekerheid is dat de wet de kring van verzekerden aanwijst, verzekerden zijn dus 'van rechtswege' verzekerd. De verzekerde is verplicht verzekerd, het uitvoeringsorgaan is verplicht de verzekerde in zijn verzekering op te nemen en hem, als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet, een uitkering toe te kennen. Het verplichte karakter van de sociale verzekeringen is een belangrijk verschil met de particuliere verzekeringen (vrijwillige levensverzekering, WAO/WIA-hiaatverzekering, et cetera). De particuliere verzekeringsnemer is vrij zich te verzekeren en de verzekeringsmaatschappij zelf te kiezen. Meent de verzekeraar dat de verzekeringsnemer een hoog 'risicoprofiel' heeft, dan kan hij de verzekeringnemer een hogere premie vragen en zelfs weigeren. In de praktijk is er vaak sprake van een tussenvorm. Organisaties (soms verplicht bij CAO) hebben dan voor de werknemers een of meer verzekeringen afgesloten, waaraan soms verplicht en soms op vrijwillige basis men kan deelnemen. Vanwege het collectieve karakter van de verzekering accepteert de verzekeraar zonder keuring meestal allen die werkzaam zijn in de organisatie en zich hebben aangemeld. Voorbeelden hiervan zijn: collectieve zorgverzekering, de Anw-hiaatverzekering, de WAO/WIA-hiaat- en de WAO/WIA-excedentverzekering.

De premies voor de vrijwillige verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA), werkloosheid (WW) en ziekte (Ziektewet) worden ieder jaar door het UWV vastgesteld. De hoogte van deze premies is te vinden in subrubriek Vrijwillige verzekeringen (tabellen).

Uitvoering volks- en werknemersverzekeringen

Verschillende instellingen houden zich bezig met het innen van premies, betalen van uitkeringen, het bieden van hulp bij het zoeken van werk, het re-integreren van ex-werknemers, het geven van voorlichting en ondersteuning, et cetera. Vanaf 1 januari 2002 geldt de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (Wet Suwi) en de daarbij behorende Invoeringswet. In deze nieuwe organisatiestructuur wordt werk boven inkomen gesteld. Vanaf het eerste moment en het eerste contact staan de mogelijkheden om weer werk te krijgen voorop. Zo komt er één loket waar mensen zowel voor werk als voor een uitkering terecht kunnen.

De Wet SUWI is in 2012 gewijzigd. De wijziging betekent onder meer dat de dienstverlening van het UWV aan werkgevers en werknemers digitaal wordt. Ook is geregeld dat de Raad voor werk en inkomen (RWI) wordt opgeheven en dat het re-integratiebudget in de Werkloosheidswet (WW) en loonkostensubsidies worden beëindigd.

Het wetsvoorstel Wet SUWI (wijziging Wet SUWI: beroepsgeheim, medische gegevens. Uitwerking wetgeving op grond van kabinetsstandpunt n.a.v. onderzoek VWS naar medisch beroepsgeheim; apart wetgevingstraject afhankelijk van voortgang andere aangekondigde wetgeving) zal volgens planning bij de Tweede Kamer december 2013 worden ingediend. Indiening EK april 2014. Inwerkingtreding 1 januari 2015.

Overzicht instanties uitvoering sociale zekerheid (situatie 2011)

AOW, ANW, AIO en AKW Sociale Verzekeringsbank (SVB)
www.svb.nl
Aanvragen Kindgebonden budget Belastingdienst
www.toeslagen.nl
Ziektewet, WAO, WIA, WW, WAZ, Wajong, IOW, Toeslagenwet, de Waz  Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
www.uwv.nl
Aanvragen WW, Toeslagenwet, WWB, WIJ, IOAW en IOAZ UWV (voorheen: Centrum voor Werk en Inkomen CWI)
www.werk.nl
WWIK (Wet Werk en inkomen kunstenaars) Centrumgemeenten (Alkmaar, Amsterdam, Arnhem, Assen, Breda, Den Haag, Eindhoven, Enschede, Groningen, Haarlem,’s Hertogenbosch, Hilversum, Leeuwarden, Lelystad, Maastricht, Middelburg, Rotterdam, Tilburg, Utrecht en Zwolle)

Sociale uitkeringen naar het buitenland

Van alle AOW’ers woont 10 procent buiten Nederland, ongeveer 300 duizend mensen (stand eind 2011). Met bijna 54 duizend uitkeringen naar het buitenland is de kinderbijslag een goede tweede, hoewel het slechts om 3 procent van de AKW-uitkeringen gaat. De Anw-uitkering wordt in bijna 8 procent van de gevallen in het buitenland uitgekeerd. Met 6,5 duizend mensen gaat het echter om veel minder uitkeringen.

Sociale uitkeringen die in het buitenland uitgekeerd worden, eind 2011:


Meer informatie: zie site CBS, 24 jan. 2013.

Zit u in de juiste sector?

De sectorindeling kan grote invloed hebben op de premielasten van een werkgever. In de praktijk blijkt dat veel werkgevers in een onjuiste sector zijn ingedeeld of gedurende de tijd van sector hadden moeten veranderen. Dat kan betekenen dat de werkgever of veel te veel of veel te weinig premie betaalt.

BDO heeft een gratis Sectorcheck ontwikkeld. Met de antwoorden van deze checklist kan een inschatting worden gemaakt of de sectorindeling wel juist is.

Sectorpremie, hoog of laag?

Vanaf 1 januari 2006 worden werkgevers in de Horeca geconfronteerd met hogere sectorpremies wanneer zij kortlopende arbeidscontracten aangaan. Dit heeft te maken met het feit dat door werknemers in de horeca veelvuldig een beroep wordt gedaan op WW vanwege cyclische werkloosheid. De kosten hiervan worden door de hogere sectorpremies verhaald op de werkgever. Kunt u hier iets aan doen als werkgever? Jazeker! Door slim om te gaan met de arbeidsovereenkomsten die u afsluit kunt u veel premie besparen want de verschillen zijn aanzienlijk. Zo is voor 2015 de premie hoog 5,82 % en de premie laag 1,45 %. (Bron en meer: BDO, 25 jun. 2015)

Verzekeraars maken verwachting van betere preventie en re-integratie nog niet waar

Privaat verzekerde bedrijven (niet wettelijk voorgeschreven) presteren tot nu toe niet beter op het vlak van preventie en re-integratie dan niet-privaat verzekerde bedrijven (UWV). Dat was tien jaar geleden bij de introductie van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) wel de verwachting. (Bron: Centraal Planbureau, 3 sep. 2015)

Belastingdienst gaat actief sectorindeling werkgevers controleren

Vanaf juli 2016 gaat de Belastingdienst actief de sectorindeling van werkgevers controleren. Volgens de Belastingdienst is het namelijk mogelijk dat een werkgever een andere sector opgeeft dan de sector die bij de Belastingdienst geregistreerd staat.

Werkgevers die van mening zijn dat zij tot een andere sector behoren, moeten hiervan schriftelijk melding doen aan de Belastingdienst. Hierna volgt een beschikking van de Belastingdienst, die bepaalt of en zo ja, met ingang van wanneer, een andere sector van toepassing is. Het toepassen van een onjuiste sectorpremie kan niet alleen leiden tot naheffingen, maar ook boetes. (Bron: BDO, 29 jun. 2016)

Regeling indeling uitzendondernemingen in vaksector afgeschaft

Iedere onderneming wordt voor de heffing van premies ingedeeld in een sector. Uitzendondernemingen worden standaard ingedeeld in sector 52 (uitzendbedrijven). Tot nu toe was het mogelijk om een aanvraag in te dienen voor indeling in een zogenaamde vaksector. Dat is de sector waarin – gelet op de functies van de uitzendkrachten – voor tenminste 50% werkzaamheden worden verricht. Zo kan een uitzendbureau dat gespecialiseerd is in techniek, ingedeeld worden in de sector Metaal en Techniek. Voor uitzendbureaus had dit veelal een lagere sectorpremie tot gevolg.

Er is al enige tijd kritiek op deze regeling en nu heeft Minister Asscher per direct ingegrepen. In de Staatscourant (24 mei) stond zijn beslissing om deze regeling per direct te wijzigen. Nieuwe aanvragen voor indeling in de vaksector worden niet langer goedgekeurd. Omdat het besluit is vastgelegd in een ministeriële regeling en niet in een wet kan de minister dit eenzijdig (zonder raadpleging van het parlement) wijzigen.

Deze wijziging heeft vooralsnog geen effect op bestaande indelingen of aanvragen die reeds zijn ingediend. Deze regeling gaat in werking per 25 mei 2017.

De kans bestaat dat de gehele regeling komt te vervallen. Verwacht wordt dat dit eind 2018 zal zijn. (Bron: Mazars, 24 mei 2017)

Verplichte indeling in uitzendbranche is niet van toepassing op personeelsvennootschappen binnen concernverband. Omdat er bij personeelsvennootschappen alleen binnen hetzelfde concern arbeidskrachten worden uitgezonden, wordt niet beoogd om deze onder de sector uitzendbedrijven te laten vallen. 

Overgangsregeling

Organisaties die werknemers ter beschikking stellen en die vóór de inwerkingtreding van deze wijziging al in een vaksector waren ingedeeld, kunnen daarin vooralsnog blijven ingedeeld. Ook werkgevers die een verzoek tot indeling in een vaksector hebben ingediend vóór 25 mei 2017 worden op basis van de oude regelgeving behandeld.

Voor de overgangsregeling is geen termijn gegeven. Minister Asscher geeft in de toelichting aan dat deze organisaties vooralsnog ingedeeld blijven in de oude vaksector. Wat de gevolgen zijn van fusies, overnames, reorganisaties en overgang van (een deel) van een onderneming voor de overgangsregeling wordt niet toegelicht. De Minister geeft hier verder geen duidelijkheid over.

Uitzondering uitzendovereenkomsten personeelsvennootschappen 

Omdat er bij personeelsvennootschappen alleen binnen hetzelfde concern arbeidskrachten worden uitgezonden, wordt niet beoogd om deze onder de sector uitzendbedrijven te laten vallen. Minister Asscher geeft aan dat uitzendovereenkomsten van personeelsvennootschappen, ook als het om nieuwe ondernemingen gaat, worden uitgezonderd van de verplichte indeling in de sector uitzendbedrijven. In de definitieve regeling over de sectorindeling van uitzendorganisaties, zal dit expliciet worden opgenomen, maar de Belastingdienst is gevraagd om hier in de uitvoering al op te anticiperen. Er wordt overigens gestreefd naar een definitieve regeling per 1 januari 2019. (Bron: PWC, 12 jul. 2017)

Sectorpremies 2018 

De Nota Premievaststelling Sectorfondsen 2018 beschrijft de sectoraal gedifferentieerde premies voor 2018. Met deze premies betalen werkgevers binnen een sector de eerste half jaar van de WW-lasten en een klein stukje Ziektewet- en WGA-staartlasten van eigenrisicodragers. (Bron en hoogte premies 2018: UWV, 24 okt. 2017)

Hoge en lage sectorpremie WW voor alle sectoren?

Voor werkgevers in vijf sectoren geldt een hoge en een lage sectorpremie WW. De hoge en lage sectorpremie gaan mogelijk gelden voor alle sectoren, zo lezen we in het regeerakkoord. Hiermee moet het aantrekkelijker worden om werknemers een contract te geven.

De Werkloosheidswet wordt deels gefinancierd via sectorale premies die ten gunste komen van de sectorfondsen en deels via een landelijke premie die ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Met dit besluit stelt UWV de sectorpremies vast. De financieringssystematiek van de sectorfondsen wordt beschreven in de Wet financiering sociale verzekeringen. (Bron: SalarisNet, 2 nov. 2017)

De sectoren Grafische industrie, Uitzendbedrijven, Agrarisch bedrijf, Bouwbedrijf, Horeca algemeen, Culturele instellingen en Schildersbedrijf kennen een differentiatie naar premiegroep. Binnen de vijf laatstgenoemde sectoren vindt deze plaats op basis van het soort contract van de werknemers. Voor werknemers met een contractduur korter dan één jaar betaalt de werkgever de hoge premie en voor werknemers met een contractduur van één jaar of langer betaalt de werkgever de lage premie. De premies binnen de Grafische industrie en Uitzendbedrijven zijn gedifferentieerd naar soort activiteit. (Bron: Advado.nl)

Sectorverloning aangenomen en weer uitgesteld

Merkwaardige gang van zaken. In de Staatscourant van 24 mei 2017 stond geschreven dat de mogelijkheid voor nieuwe gevallen om gebruik te maken van de mogelijkheid voor uitzendbedrijven om ingedeeld te worden in een andere sector dan de uitzendsector wordt afgeschaft (Wet financiering sociale verzekeringen, Wfsv). In december 2017 meldt minister Koolmees (SZW) pas op de plaats te maken op het dossier van sectorale verloning. Dit in afwachting van de uitwerking van een mogelijk nieuwe systematiek van WW-premies, zoals opgenomen in het regeerakkoord. Invoering daarvan is voorzien in 2020.

Dit betekent dat de sectorverloning voor bestaande gevallen nog niet wordt afgeschaft. De bevriezing voor nieuwe gevallen vanaf 25 mei 2017 wordt voortgezet. (Bron: NBBU, 12 dec. 2017)

Belastingdienst verduidelijkt percentage sectorpremie

In het op 12 maart 2018 uitgekomen Handboek Loonheffingen 2018 gaat de Belastingdienst uitvoering in op hogere en lagere sectorpremie. In woorden van de Belastingdienst:

De volgende sectoren hebben een hoger werkloosheidsrisico dan andere sectoren: agrarisch bedrijf, bouwbedrijf, culturele instellingen, horeca algemeen en schildersbedrijf. Daarom gelden er voor deze sectoren 2 premiepercentages: een hoog en een laag percentage. Als u werkgever bent in 1 van deze 5 sectoren, bekijkt u per werknemer of u het hoge percentage of het lage percentage moet gebruiken. U gebruikt standaard het hoge percentage. Alleen in de volgende gevallen gebruikt u het lage percentage:

  • U sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor ten minste een jaar of voor onbepaalde tijd met uw werknemer. In de arbeidsovereenkomst moet u het aantal arbeidsuren eenduidig vastleggen. U kunt de arbeidsuren per week of per maand vastleggen. U voldoet niet aan de voorwaarden bij een oproepcontract waarin u het aantal uren niet vastlegt, bij een nul-urencontract of bij een min/max-contract (een contract met een aantal vast en variabel te werken uren). U mag dan dus niet het lage percentage toepassen.
  • U sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met uw werknemer waarin u het aantal arbeidsuren voor een heel jaar vastlegt. De werknemer hoeft niet elke week of maand evenveel uren te werken. U kunt samen afspreken hoe u de uren wilt spreiden over het jaar. De werknemer moet wel elk loontijdvak recht hebben op een evenredig deel van het loon.
  • U sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor maximaal 8 aaneengesloten weken in een kalenderjaar met een scholier of student. Deze student heeft aan het begin van het kwartaal waarin u de overeenkomst sluit, een wettelijk recht op studiefinanciering of op vergoeding van studiekosten, of heeft aan het begin van dat kwartaal recht op kinderbijslag.
  • U neemt tijdelijk een buitenlandse student of scholier aan uit een ander land van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, Zwitserland of Liechtenstein. De student is maximaal 8 aaneengesloten weken per kalenderjaar bij u in dienst en is aan het begin van het kwartaal waarin u hem aanneemt, ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt.
  • U sluit een leer-werkovereenkomst met een mbo-leerling die de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg volgt.
(Bron: Belastingdienst, 12 mrt. 2018)

Eigenrisicodragerschap populair bij grote bedrijven

Met name grote werkgevers kiezen voor het eigenrisicodragerschap bij de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en de Ziektewet (ZW). Dat schrijft minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer. Beide regelingen hebben een hybride karakter. Werkgevers zijn standaard bij UWV verzekerd. Bedrijven kunnen per 1 januari en 1 juli een verzoek tot verandering doen bij de Belastingdienst. Ze hebben de mogelijkheid om het eigen risico zelf te dragen, of om het onder te brengen bij een verzekeraar.

Het aantal WGA-eigenrisicodragers is per 1 januari 2018 toegenomen van 5,8 procent naar zes procent van het totaal. Het aandeel WGA-eigenrisicodragers als percentage van de loonsom ligt aanmerkelijk hoger. Vooral grote werkgevers maken de keuze voor het eigenrisicodragerschap.

De hybride markt voor de ZW toont een zelfde beweging. Zo nam de hoeveelheid ZW-eigenrisicodragers toe van 3,5 procent naar 3,8 procent van het totaal. Het aandeel ZW-eigenrisicodragers als percentage van de loonsom is fiks hoger omdat ook hierbij met name grote werkgevers voor het eigenrisicodragerschap kiezen. Het aandeel ZW-eigenrisicodragers in de totale loonsom is toegenomen van 42,4 procent in 2017 naar 44,3 procent dit  jaar. (Bron: en meer: CM Web, 17 jul. 2018)

Sectorpremies 2019

De Werkloosheidswet wordt deels gefinancierd via sectorale premies die ten gunste komen van de sectorfondsen en deels via een landelijke premie die ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Het UWV heeft de sectorpremies voor 2019 vastgesteld. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de vastgestelde premies voor de sectorfondsen goedgekeurd en in de Staatscourant gepubliceerd. (Bron: LoonZaken, 1 nov. 2018)

Nieuwe Gedifferentieerde WW-premie toch naar de Tweede Kamer

De Raad van State adviseerde minister Koolmees de gedifferentieerde WW-premie opnieuw te overwegen. De Raad heeft bedenkingen bij de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de nieuwe wet.

Minister Koolmees negeert het advies. Dit heeft te maken met invoering per 1 januari 2019 van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) waardoor de WW-premies voor vaste contracten lager worden dan die voor flexibele contracten. Minister Koolmees informeerde de Tweede Kamer over de aanstaande vaststelling en publicatie van het Besluit tot wijziging van het Besluit Wfsv (Wet financiering sociale verzekeringen). ‘Als gevolg van het RVS-advies (Raad voor Volksgezondheid en Samenleving) het kabinet nu wel voor een getrapte inwerkingtreding’, zo schrijft hij zijn brief. 'Alles overwegende heeft het kabinet geconcludeerd dat het wenselijk is om op het moment van invoering te kiezen voor een minder complexe en eenvoudiger uitvoerbare regeling. Daarom zullen de herzieningssituaties getrapt worden ingevoerd.'

Wijziging van Regeling Wfsv gepubliceerd

Op 15 juli 2019 is in de Staatscourant de ministeriële regeling gepubliceerd die de Regeling Wfsv wijzigt naar aanleiding van de wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) in het kader van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB). In deze regeling wordt ook geregeld dat uitzendbedrijven die op grond van onderdeel 52 van Bijlage 1 van de Regeling Wfsv waren ingedeeld in andere sectoren dan de uitzendsector (vaksectoren) en waarvan de indeling op grond van het overgangsrecht in dat onderdeel was voortgezet, per de ingangsdatum van de WAB worden ingedeeld in de uitzendsector.

Ga terug naar rubriek Werkloosheid.


Gerelateerde artikelen en/of partner bijdragen:
Gerelateerd nieuws en/of opinies:


 Situatieve arbeidsongeschiktheid    Sociale Verzekeringsbank (SVB)