Vergeten pensioenen    Voortzetting pensioenopbouw 


Vervroegd uittreden (VUT)

Datum laatste wijziging: 16 augustus 2018  |  Trefwoorden: Pensioen, Vervroegd uittreden, VUT

Inhoud

  1. Doelstelling
  2. Kostbaar
  3. Eindheffing
  4. VUT afgeschaft
  5. Verlofstuwmeer en regeling vervroegde uittreding
  6. Overbruggingsregeling AOW
  7. Vutter kiest voor bijbaan
  8. Gespreide, langere VUT-uitkering zonder strafheffing
  9. Vervroegd uittreden zonder pseudo-eindheffing
  10. Minder VUT-fondsen in 2012
  11. Naslag
  12. Heffing betalen over vertrekpremie
  13. Belastingdienst betaalt boete wegens onjuist toepassen RVU
  14. Vrijwillige vertrekregeling piloten KLM geen VUT-regeling
  15. Volgens rechter is vrijwillige vervroegde uittreding geen VUT
  16. RVU-heffing bij een seniorenregeling
  17. Opnieuw, is een vrijwillige vertrekregeling een Regeling voor Vervroegd Uittreden?
  18. Continue wijzigingen regelgeving VPL-inhaalpensioen
  19. Hoge Raad bevestigt: geen RVU bij vrijwillig vertrek

Doelstelling

Van de VUT, op vrijwillige basis vervroegd uittreden (ook wel Regeling voor vervroegde uittreding (RVU) of Flexibel pensioen en uittreding (FPU) genoemd), is veel gebruikgemaakt. De regeling was oorspronkelijk bedoeld om, als ouderen eerder vertrekken, jongeren meer kansen op de arbeidsmarkt te geven. Als een werknemer gebruik maakte van de VUT, kon hij al op negenenvijftig- of zestigjarige leeftijd uittreden. Hij moest dan wel minimaal tien jaar bij dezelfde organisatie gewerkt hebben.

Kostbaar

De hoogte van de VUT-uitkering, een percentage van het laatste salaris en vakantietoeslag, was afhankelijk van de leeftijd van uittreden. Een negenenvijftigjarige kreeg minder dan een drieŽnzestigjarige. Werkgevers en soms ook werknemers zorgden voor de financiering. De VUT-premies waren tot 2006 fiscaal aftrekbaar. Neveninkomsten van een bijklussende vutter werden in mindering gebracht op de uitkering. Belangrijk was dat de pensioenopbouw tijdens de VUT-periode gewoon doorging, de pensioengrondslag werd afgeleid van het laatst genoten salaris voordat iemand met de VUT ging. Mede omdat de VUT zo populair was, viel de regeling erg duur uit. Daar stond tegenover dat de overheid, door de fiscale voordelen, meebetaalde aan de VUT.

Eindheffing

Bij VUT-regelingen en het omslaggefinancierde deel van pensioenregelingen die niet onder een overgangsregeling vallen, is de werkgever over zijn bijdrage een eindheffing van 52% verschuldigd (was tot 2011 26%) en is de werknemersbijdrage niet meer aftrekbaar van het brutoloon. De eindheffing is niet van toepassing op werknemers die vůůr 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren.

VUT afgeschaft

De VUT is per 1-1-2006 afgeschaft. Toch is er nog wel een overgangsrecht. Dit geldt voor de mensen die voor 1 januari 1950 zijn geboren. De VUT en pensioenregelingen kunnen voor deze mensen blijven bestaan zonder fiscale vergelding. Er kan georganiseerd worden dat wanneer een werknemer later dan de VUT of de pensioeningang gebruik wil maken van zijn of haar recht, de totale pensioenuitkering later verhoogd kan worden. De regering wil hierdoor mensen enthousiast maken langer te werken. E.e.a. houdt dus in dat in 2015 de VUT definitief is geŽindigd.

Verlofstuwmeer en regeling vervroegde uittreding

Als een groot aantal verlofdagen wordt opgespaard en opgenomen, met de bedoeling vervroegd uit te treden, zal de werkgever een extra (RVU)heffing van 52% moeten afdragen over het tijdens de opname van het stuwmeerverlof uitbetaalde loon. De Belastingdienst zegt er onder meer het volgende over:
Een werkgever mag ervan uitgaan dat de Belastingdienst zich niet op het standpunt zal stellen dat bij de opname van het verlofstuwmeer sprake is van een RVU als:
  • het verlof niet speciaal is toegekend aan deze oudere werknemer met het oog op een vervroegde uitstroom van de werknemer; en
  • het totaal van het gespaarde verlof en het verlof van het lopende jaar (het verlofstuwmeer) de omvang van 50 maal de wekelijkse arbeidsduur niet te boven gaat.

Overbruggingsregeling AOW

Het ministerie werkt aan een overgangsregeling voor mensen die vervroegd met pensioen zijn gegaan en derhalve te maken krijgen met een gat doordat de pensioenleeftijd over twee jaar opeens is opgeschoven naar 67. Volgens het regeerakkoord van 29 oktober 2012 komt er een overbruggingsperiode voor personen met een inkomen tot 150 procent van het minimumloon. Ook komt er een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen).

Zie subrubriek Overbruggingsregeling AOW.   

Vutter kiest voor bijbaan

Het beeld dat vroeg gepensioneerden alleen maar leuke uitstapjes maken en op de kleinkinderen passen, klopt niet. Een kwart gaat toch weer aan het werk. En een deel van deze groep is ook na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd nog actief op de arbeidsmarkt. Dit blijkt uit onderzoek van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). (Bron: De Telegraaf, 25 feb. 2013)

Gespreide, langere VUT-uitkering zonder strafheffing

In de toekomst mag de VUT-uitkeringsperiode onder voorwaarden worden verlengd tot de AOW-ingangsleeftijd zonder dat een strafheffing van 52% wordt toegepast. Staatssecretaris Weekers van FinanciŽn heeft op 4 juni 2013 in de Tweede Kamer aangegeven dat hij dit in een beleidsbesluit zal neerleggen. Een belangrijke voorwaarde is dat de omvang van de bestaande VUT-rechten niet mag worden uitgebreid.

Vervroegd uittreden zonder pseudo-eindheffing

Dit besluit bevat een goedkeuring voor regelingen voor vervroegd uittreden in het kader van sociale plannen, waarbij de regeling voor ontslag op basis van een objectief criterium wordt voorafgegaan door een vrijwillige vertrekregeling. De goedkeuring voorkomt onder voorwaarden dat de (voormalig) werkgever pseudo-eindheffing moet afdragen. (Bron: Staatscourant, 18 dec. 2013)

Minder VUT-fondsen in 2012

Per 1 januari 2006 is de fiscale ondersteuning voor vervroegde uittreding (VUT)- en prepensioenregelingen beŽindigd. Het gevolg is dat VUT-fondsen, die vervroegde uittredingsregelingen voor bedrijfstakken verzorgen, nu in de afbouwfase verkeren.

De regelingen die VUT-fondsen uitvoeren hebben vooral betrekking op werknemers die geboren zijn voor 1950, en die uiterlijk in 2015 met pensioen gaan. Het aantal VUT-fondsen is in 2012 gedaald van 48 naar 46. De verwachting is dat de belangrijkste VUT-fondsen in 2014 of 2015 de laatste uitkeringen zullen doen, zodat de omvang na 2015 minimaal zal zijn. (Bron: CBS)

Naslag

Meer informatie is te vinden in Handboek Loonheffingen. Ga naar subrubriek Loon- en inkomstenbelasting en klik bij Handboeken Loonheffingen op het door u gewenste jaar.

Heffing betalen over vertrekpremie

Een provincie is een heffing van 52 procent verschuldigd over uitkeringen aan ambtenaren die gebruik hebben gemaakt van een zogenoemde non-activiteitsregeling voor 57-plussers. Dat is het gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad op 13 mei 2016, die bevestigde dat de regeling terecht is aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding.

De werkgever had de non-activiteitsregeling getroffen om het aantal ambtenaren in zijn dienst  te verminderen. Dat doel kon alleen worden bereikt door werknemers vrijwillig te laten vetrekken waarbij zij gebruik maakten van deze regeling. De beweegredenen van de werkgever spelen bij de beantwoording van de vraag of hier sprake was van een regeling voor vervroegde uittreding geen rol. Het gaat erom of de uitkeringen bedoeld zijn ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (ex-)werknemer tot de pensioendatum. Dat is in deze zaak het geval.

Belastingdienst betaalt boete wegens onjuist toepassen RVU

Over de uit de hand gelopen vertrekregeling bij de Belastingdienst is veel geschreven, zie subrubriek Belastingdienst. Naar nu blijkt moet de Belastingdienst ook nog een boete betalen omdat de dienst de RVU-heffing (Regeling Vervroegde Uittreding) niet juist heeft toegepast. Dit bedrag ligt tussen de 150 tot 200 miljoen euro. (Bron: AV Accountingvanmorgen, 14 okt. 2016)

Red.: Het komt altijd wat ridicuul over als de ene overheidsdienst aan de andere een boete moet betalen. Stel dat de Belastingdienst een belangrijk tekort heeft, dan zal dit uit de staatskas moeten worden aangevuld.

Vrijwillige vertrekregeling piloten KLM geen VUT-regeling

Luchtvaartmaatschappij KLM hield zich bezig met vrachtvervoer. KLM had per april 2014 een personeelsbestand van 265 piloten. Per april 2014 was een overtolligheid ontstaan bij de piloten. Om deze overtolligheid af te bouwen, sprak KLM een samenhangend pakket aan maatregelen af, dat werd vastgelegd in een protocol Afbouw. De vliegers konden gebruik maken van een vrijwillige vertrekregeling (VVR) of van een detacheringsregeling.

Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat de regeling gelet op de algemene kenmerken geen regeling voor vervroegde uittreding is. De regeling was namelijk onderdeel van een samenhangend pakket om de boventalligheid van de piloten af te bouwen. De deelname was vrijwillig en stond open voor alle leeftijden. (Bron: Fiscaal up to Date e.a., 13 dec. 2016)

Volgens rechter is vrijwillige vervroegde uittreding geen VUT

Het gerechtshof ís-Hertogenbosch oordeelde op 18 november 2016 dat een vrijwillige vertrekregeling zich niet kwalificeert als een verkapt vroegpensioen, ook wel regeling voor vervroegde uittreding (rvu) genoemd. Hiermee komt een einde aan de stellingname van de Belastingdienst dat een vergoeding in het kader van een vrijwillig vervroegd vertrek tijdens een bedrijfsreorganisatie - denk aan de recente vertrekken bij dezelfde Belastingdienst - beboet moet worden.

De beweegreden van het Hof zijn interessant:
"Naar het oordeel van het Hof gaat het er bij de vraag of sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding om of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen van de inhoudingsplichtige om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden doen in dit verband niet ter zake. Het doel en de intentie die aan de totstandkoming van de regeling ten grondslag liggen, zijn volgens het Hof op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat zij niet moet worden aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding. Het gaat om de uitwerking ervan in de regeling en om de vraag of de regeling en de daarin opgenomen voorwaarden als zodanig ertoe strekken, dat een overbrugging wordt geboden tot de pensioendatum van de werknemer.

Het Hof is voorts van oordeel dat sprake is van een regeling die ertoe strekt alle werknemers van belanghebbende, ongeacht hun leeftijd, een mogelijkheid te bieden om vrijwillig hun dienstverband te beŽindigen. De uitkering houdt, anders dan de Inspecteur stelt, geen verband met de (pensioengerechtigde) leeftijd van de werknemer.

Ten slotte is het Hof niet gebleken dat uit de voorwaarden van de regeling volgt dat feitelijk een uitkering ter overbrugging tot aan het pensioen wordt geboden. Er is bijvoorbeeld geen bepaling opgenomen dat, zoals kenmerkend kan zijn voor een regeling voor vervroegde uittreding, de betreffende werknemer (voor een bepaalde periode) na beŽindiging van het dienstverband geen andere werkzaamheden mag verrichten of dat inkomsten uit andere werkzaamheden in mindering komen op de beŽindigingsvergoeding.

Het Hof komt tot de conclusie dat de Inspecteur ten onrechte niet bij beschikking heeft vastgesteld dat het sociaal plan geen regeling voor vervroegde uittreding vormt. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard.''

(Bron: jurisprudentie, 18 nov. 2016)

RVU-heffing bij een seniorenregeling

Wanneer oudere werknemers gebruikmaken van een regeling om minder dan 50% van hun oorspronkelijke arbeidsduur te gaan werken, dan moet de werkgever 52% pseudo eindheffing betalen over het loon tijdens het verlof. De regeling kwalificeert zich dan namelijk als een regeling voor vervroegde uittreding (RVU).

Opnieuw, is een vrijwillige vertrekregeling een Regeling voor Vervroegd Uittreden?

Binnenkort zal de Hoge Raad opnieuw uitspraak doen over de vraag of een vrijwillige regeling in een Sociaal Plan kwalificeert als Regeling voor Vervroegd Uittreden. De Hoge Raad heeft hierover in 2016 al geoordeeld met betrekking tot een regeling die alleen openstond voor werknemers van 57+. Nu gaat het om een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling die openstaat voor alle werknemers van de organisatie.

De Hoge Raad heeft in 2016 geoordeeld dat voor de RVU-toets de beweegredenen van de werkgever om een regeling in te voeren, niet relevant zijn. In de betreffende situatie was sprake van een regeling die alleen open stond voor 57+ werknemers, en daarmee was de conclusie dat dat inderdaad een RVU-regeling was.

Waar het nu om gaat is dat het Gerechtshof Ďs-Hertogenbosch in een casus oordeelde dat de feitelijke uitwerking niet bepalend is voor de vraag of een regeling Ďsecí als een RVU-regeling moet worden beschouwd. Nu de regeling en de daarin opgenomen kantonrechtersformule geen leeftijdsgebonden elementen zijn, oordeelde het Hof dat geen sprake was van een RVU. Tegen de uitspraak van het Hof is cassatie bij de Hoge Raad ingesteld.

Continue wijzigingen regelgeving VPL-inhaalpensioen

De Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregelingen (Wet VPL) die per 1 januari 2006 in werking trad, hield in dat de fiscale faciliteiten voor VUT- en prepensioenregelingen verdwenen. Feitelijk betekende dit het einde van VUT- en prepensioen. De werknemerspremies voor de VUT- en prepensioenregelingen waren niet meer aftrekbaar en de werkgeversbijdragen werden belast. Het doel van de wet was ervoor te zorgen dat oudere werknemers langer aan het werk blijven.

Bij de afschaffing van de VUT en het prepensioen was er in 2006 en 2007 eenmalig de mogelijkheid om de werknemers extra pensioenopbouw toe te kennen over tot 2006 verstreken dienstjaren in de vorm van een VPL-inhaalpensioen. Deze regeling wordt ook wel de 15-jarenregeling genoemd. Het VPL-inhaalpensioen mocht geleidelijk over 15 jaar of ineens bij pensionering of na 15 jaar worden opgebouwd en gefinancierd. Het VPL-inhaalpensioen is een voorwaardelijk pensioen tot het moment van inkoop van pensioen. Bij uitdiensttreding binnen de termijn van 15 jaar (uiterlijk 1 januari 2021 of 2022) of voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, heeft de werknemer geen recht op deze aanspraak. Bij geleidelijke inkoop per jaar, bestaat wel recht op het reeds ingekochte stuk inhaalpensioen.

Met ingang van 29 november 2017 is het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2014 gewijzigd. Expliciet is vastgelegd dat dat VPL-aanspraken in beginsel niet gefinancierd mogen worden uit het eigen vermogen van het pensioenfonds maar alleen uit het vermogen dat ter dekking van de technische voorzieningen wordt aangehouden.

Naar aanleiding van de aanpassing van het voornoemde uitvoeringsbesluit heeft DNB op 3 april 2018 haar beleidsregels en de Q&A (Ďboek questions & answersí) aangepast. In deze Q&A stelt DNB zich op het standpunt dat de aanpassing van het Uitvoeringsbesluit VPL ertoe leidt dat pensioenfondsen een actuariŽle koopsom in rekening moeten brengen inclusief opslagen voor kosten en vereist eigen vermogen. Voor zover de actuele dekkingsgraad lager is dan het vereist vermogen, is het toegestaan een koopsom in rekening te brengen tegen het niveau van tenminste de actuele dekkingsgraad (met een minimum van het MVEV).

Dit standpunt van DNB kan voor sociale partners tot onverwachte problemen leiden. (Bron en meer: AWVN, 18 apr. 2018)

Hoge Raad bevestigt: geen RVU bij vrijwillig vertrek

De Belastingdienst moet bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding (RVU), uitgaan van de bedoeling van de regeling en niet van de feitelijke uitwerking. De Hoge Raad heeft dat bevestigd. Dat betekent dat het gemakkelijker wordt om in een sociaal plan afspraken te maken over vrijwillig vertrek.

Volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 22 juni gaat het er bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een RVU om of de regeling bedoeld is ter overbrugging (of aanvulling) van het inkomen van de werknemer tot aan het moment dat die met pensioen gaat. De reden voor de werkgever om de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling aan te bieden noch de reden voor de werknemer om van de regeling gebruik te maken, doet ter zake. Voor de Hoge Raad zijn de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling bepalend Ė en niet de uitkomst van de regeling (dat wil zeggen de feitelijke uitstroom van werknemers en de verdeling over de leeftijdscohorten en de feitelijke hoogte van de ontslaguitkering). (Bron: AWVN, 25 jun. 2018)

Gerelateerde artikelen en/of partner bijdragen:
Gerelateerd nieuws en/of opinies:


 Vergeten pensioenen    Voortzetting pensioenopbouw 
OXYLO
Uw bedrijfspensioen begrijpelijk en betaalbaar
Opinies   |   Workshop   |   Download