Ondernemingsraad (pensioenen)    Overbruggingspensioen 


Ouderdomspensioen

Datum laatste wijziging: 22 juni 2018  |  Trefwoorden: Pensioen, Ouderdomspensioen, Toetredingsleeftijd, Ingangsdatum, Partnerpensioen, Anw-hiaatpensioen

Inhoud

  1. Begrip
  2. Toetredingsleeftijd
  3. Ingangsdatum
  4. Verlaagde opbouwpercentages in 2014
  5. Pensioengevend loon
  6. Extra sparen voor het ouderdomspensioen
  7. Diensttijd c.q. dienstjaren
  8. Opbouw tijdens VUT of prepensioen
  9. Extra sparen voor het ouderdomspensioen
  10. Pensioentekort
  11. Opheffen pensioentekort
  12. Opbouw anders dan salaris
  13. 40-deelnemingsjarenpensioen
  14. Gemoedsbezwaarde
  15. Premiepensioeninstelling een nieuw pensioenvehikel
  16. Ten onrechte te veel pensioen ontvangen
  17. Gepensioneerden leven soberder
  18. Minderheid wil keuzevrijheid in pensioen
  19. Ombudsman Pensioenen
  20. 100%-grens en doorwerkvereiste afgeschaft in 2017
  21. Gewijzigde ingangsdatum pensioenen vanaf 2017
  22. Rekenmethode pensioenverzekeraars nadelig voor klanten
  23. Pensioenleeftijd
  24. Werkgever aansprakelijk voor partnerpensioen?

Begrip

Een ouderdomspensioen voorziet vanaf de pensioendatum tot het overlijden in een inkomensvoorziening. Regelingen voor een ouderdomspensioen kunnen voorkomen in drie verschillende stelsels, te weten eindloon-, middelloon- en beschikbaar premiestelsel.

Toetredingsleeftijd

Vroeger kon de werknemer aan de pensioenverzekering vaak pas deelnemen als hij 25 jaar was geworden. Hij kon dus in maximaal 40 jaar (65 - 25) zijn pensioen opbouwen. Onder de Pensioenwet is vanaf 2007 de toetredingsleeftijd 21 jaar.

Ingangsdatum

Een andere (wettelijke) grens is de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, die uiterlijk op zeventigjarige leeftijd is gesteld. Gaat een ouderdomspensioen in op 60-jarige leeftijd, dan dient er (wettelijk) een actuariële* korting plaats te vinden. Deze fiscale eis geldt voor het overbruggingspensioen.

* Actuarieel rekenen heeft te maken met gegevens zoals rekenrente, sterftekansen, arbeidsongeschiktheidskansen, loonontwikkeling en kosten die gebruikt worden om de hoogte van de premie en voorzieningen te berekenen die nodig zijn om de pensioenovereenkomsten te kunnen realiseren.

Zie subrubriek Pensioenen opbouwpercentage (tabellen) voor meer details.

Een wijziging in de fiscale wet- en regelgeving, zoals de verhoging van de pensioenrichtleeftijd, werkt in beginsel niet dwingend door in de pensioenafspraken tussen de werkgever en werknemers. Om de pensioenleeftijd in de pensioenregeling te verhogen heeft de werkgever dus instemming nodig van de werknemers en/of de ondernemingsraad/werknemersvertegenwoordiging. Dit betekent dat de werkgever in overleg met hen moet treden over de ingangsdatum pensioenregeling. Instemming is niet van toepassing als in de pensioenregeling is vastgelegd dat de pensioenleeftijd gekoppeld is aan de pensioenrichtleeftijd*.

* De pensioenrichtleeftijd is een rekenleeftijd die wordt gebruikt voor de berekening van de jaarlijkse maximaal toegestane fiscale pensioenopbouw.

Verlaagde opbouwpercentages in 2014

Het pensioen wordt opgebouwd tegen een bepaald opbouwpercentage van het salaris per jaar. Voor het eindloonstelsel is dat in 2014 maximaal 1,9% per jaar en voor het middelloonstelsel is dat 2,15% per jaar. Voor het beschikbaar premiestelsel - in 2013 nog 1,9% - komt in 2014 een vergelijkbare aanpassing. Voornoemde percentages zijn inclusief de AOW-inbouw (franchise). Het ouderdomspensioen mag (wettelijk) maximaal honderd procent van het pensioengevend loon bedragen.

In schema:
 
Stelsel Omschrijving Maximale opbouw als percentage pensioengrondslag tot 2014 Maximale opbouw als percentage pensioengrondslag vanaf 2014
Eindloonstelsel Pensioen wordt berekend over het laatstverdiende loon 2,00% 1,90%
Middelloonstelsel Pensioen wordt berekend over de gemiddeld verdienende salarissen 2,25% 2,15%
Beschikbarepremiestelsel Werkgever zegt bepaalde premie toe Staffels Belastingdienst, zie subrubriek Premiebasissysteem Staffels Belastingdienst, zie subrubriek Premiebasissysteem

Pensioengevend loon

De hoogte van het pensioen wordt bepaald door het zogeheten pensioengevend loon**. Bestanddelen van het pensioengevend loon zijn allereerst het (bruto) jaarsalaris, vermenigvuldigd met een factor wegens vakantietoeslag en/of 13e maand.

Ook de vergoeding van de werkgever van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de werkgeversbijdrage levensloopregeling voor werknemers die niet aan de levensloopregeling deelnemen, kunnen tot het pensioengevend salaris behoren.

Op het loon ingehouden bijdragen of premies voor pensioen, VUT, werknemersverzekeringen, spaarloon en de levensloopregeling¹ behoren eveneens tot het pensioengevend loon. De inhouding van deze premies en bijdragen leidt dus niet tot een verlaging van het pensioengevend loon.

¹ De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft, zie subrubriek Levensloopregeling.

** De fiscus hanteert de term pensioengevend loon als het fiscaal maximaal aanvaardbare pensioen.

De minister van Financiën heeft in een besluit van 9 september 2010 goedgekeurd dat op het loon ingehouden bijdragen of premies voor pensioen, VUT, werknemersverzekeringen en de levensloopregeling tot het pensioengevend loon behoren. De inhouding van deze premies en bijdragen leidt dus niet tot een verlaging van het pensioengevend loon, zie de site van MinFin (lid 3.2.4).

Extra sparen voor het ouderdomspensioen

Voornoemde maxima zijn vastgelegd in de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen (1999), ook wel 'Witteveen norm' genoemd, en geven ook aan of er desgewenst nog ruimte is extra te sparen voor het ouderdomspensioen. Ook als de werkgever niet de minimale AOW-franchise hanteert (wel een hoger bedrag), kan er worden bijgespaard.

Diensttijd c.q. dienstjaren

Voor de opbouw van het ouderdomspensioen is de diensttijd c.q. dienstjaren (fiscaal hetzelfde begrip) van belang. Perioden die in beginsel als diensttijd meetellen, moeten echter (gedeeltelijk) buiten beschouwing blijven als het loon in die periode nihil of anderszins aanzienlijk lager dan gebruikelijk is (artikel 19 van de Wet LB).  

Perioden van verlof tellen mee als diensttijd zolang de dienstbetrekking voortduurt. Daarbij is de aard van het verlof (zoals ouderschapsverlof of sabbatsverlof) niet van belang. Wel moet men, net als bij andere diensttijd, uiteraard rekening te houden met een eventuele deeltijdfactor. Zie de site van MinFin (lid 2.2) en ook subrubriek Pensioenopbouw tijdens verlof.

Opbouw tijdens VUT of prepensioen

VUT- of prepensioenjaren tellen mee als dienstjaren als zij direct volgen op de periode van de actieve dienstbetrekking. Deze jaren tellen als diensttijd ook mee als VUT- of prepensioen direct volgt op een periode van inkomensvervangende loongerelateerde (WW-)uitkeringen. Voorwaarde is ook dat het voornoemde in de pensioenregeling staat vermeld, zie de site van MinFin (lid 2.3).  

Extra sparen voor het ouderdomspensioen

In de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen (1999), ook wel 'Witteveen norm' genoemd, zijn de maxima voor het extra sparen vastgelegd. Of er nog ruimte is om desgewenst extra te sparen voor het ouderdomspensioen valt daar af te lezen. Ook als de werkgever niet de minimale AOW-franchise hanteert (wel een hoger bedrag), kan er worden bijgespaard.

Pensioentekort

Voornoemd ouderdomspensioen van 70% van het laatstverdiende salaris is in de loop van de jaren gaan gelden als norm voor een goed verzorgde oude dag. Velen halen de genoemde 70% echter niet.

Uit onderzoek is gebleken dat minstens driekwart van de Nederlanders niet aan een volledig pensioen (70% van het eindloon) toekomt. Maar liefst 80 procent komt pas daarachter op een tijdstip dat het echt te laat is, namelijk als het pensioenfonds drie maanden voor ingang van het pensioen opgeeft op hoeveel pensioenuitkering de pensioengerechtigde recht heeft. Oorzaken van het pensioentekort kunnen zijn:
  • onderbroken loopbaan door bijvoorbeeld kinderzorg, tijdelijk werkloosheid of een langdurig verblijf in het buitenland;
  • loopbaan met deeltijdwerk, bijvoorbeeld door overstap van full- naar parttime;
  • verandering van werkgever als gevolg waarvan de pensioenoverdracht niet of niet afdoende is geregeld;
  • voor de pensioenberekening wordt meestal uitgegaan van de AOW voor alleenstaanden in plaats van de AOW-uitkering voor tweeverdieners;
  • op latere leeftijd beginnen met werken of eerder stoppen met werken;
  • ondernemerschap zonder pensioenopbouw;
  • onderbroken loopbaan door bijvoorbeeld kinderzorg, tijdelijk werkloosheid of een langdurig verblijf in het buitenland.
Mits een pensioentekort*** aangetoond kan worden, is de betaalde inleg tot een bepaald maximum fiscaal aftrekbaar in box 1 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Over het opgebouwde kapitaal hoeft ook geen vermogensrendementsheffing betaald te worden. Over de uitkering dient wel inkomstenbelasting betaald te worden, deze valt onder de periodieke uitkeringen en verstrekkingen in box 1.

*** Volgens de Belastingdienst is er sprake van een pensioentekort als iemand minder pensioen opbouwt dan volgens de fiscale wetgeving mogelijk is.

Opheffen pensioentekort

Werknemers die te weinig pensioen opbouwen, kunnen via hun werkgever bij hun pensioenuitvoerder (maar dat mag ook een andere zijn) voor extra pensioen sparen. De fiscus stelt wel voorwaarden en grenzen aan de extra stortingen. Zo moet sprake zijn van een pensioentekort. Als de werknemer een pensioentekort heeft krijgt hij ruimte om een bedrag bovenop zijn normale pensioenpremie te sparen. Zijn jaarruimte en zijn reserveringsruimte bepalen de maximale hoogte van zijn inleg.

De werknemer zal eerst moeten berekenen of sprake is van een pensioentekort. De Belastingdienst biedt op de site een eenvoudig programma aan om het tekort te berekenen. Daarvoor is een aantal gegevens nodig, waaronder het inkomen en de waarde van de pensioenopbouw bij de werkgever. Het opgebouwde pensioen is terug te vinden in de pensioenopgaaf van het pensioenfonds of de verzekeraar. Die zijn verplicht om elk jaar door te geven hoeveel pensioen is opgebouwd. Daarna kan men de berekening afronden. Als ook in voorgaande jaren te weinig pensioen is opgebouwd, kan de berekening voor die jaren worden herhaald.

De Belastingdienst stelt een maximum aan het bedrag dat men als aanvulling op het pensioen kan storten. Of dat het geval is, kan elke werknemer zelf via een  programma op internet berekenen.

Opbouw anders dan salaris

Onder salaris wordt in dit verband niet alleen het vaste salaris verstaan. Sinds 1 januari 1995 is pensioenopbouw over variabele beloningen zoals provisie eveneens toegestaan. De Hoge Raad heeft eind 1997 beslist dat als een auto van de zaak structureel ter beschikking is gesteld, deze arbeidsvoorwaarde onderdeel mag uitmaken van de pensioengrondslag. Voor per 1 juni 1999 ingegane nieuwe pensioenregelingen is dit niet langer toegestaan.

40-deelnemingsjarenpensioen

Met ingang van 1 januari 2005 is het 40-deelnemingsjarenpensioen ingevoerd. Werknemers die op 63 jaar of eerder 40 deelnemingsjaren hebben bij een pensioenfonds, kunnen daarmee een aanvullend ouderdomspensioen opbouwen, zodat zij bij het bereiken van de leeftijd van 63 jaar kunnen stoppen met werken. Het 40-deelnemingsjarenpensioen moet gelijk ingaan met het ouderdomspensioen.

Gemoedsbezwaarde

Er zijn wetbepalingen voor gemoedsbezwaarden die pensioenvervangende spaarregelingen toestaan, zie de site van MinFin (lid 7.5)

Premiepensioeninstelling een nieuw pensioenvehikel

In veel landen is het aanvullend pensioen gebaseerd op beschikbare premieregelingen, ook wel defined contribution (DC) genoemd. Bij beschikbare premieregelingen staat de maandelijkse inleg van individuele deelnemers weliswaar vast, maar is de toekomstige uitkering ongewis. Als het gaat om het tweede pijler pensioen (eerste pijler is AOW), dat gespaard wordt via de werkgever, is deze pensioenvorm tot nu toe vooral af te sluiten bij een verzekeraar of een pensioenfondsen.
Met de premiepensioeninstelling (ppi) - de wet is per 1 januari 2011 van kracht - moet daar verandering in komen. Dit vehikel, dat is ingegeven door Europese regelgeving, moet de concurrentie aangaan met verzekeraars en pensioenfondsen. Niet alleen in Nederland, maar ook in andere lidstaten van de Europese Unie.

De ppi neemt slechts het beheer van de ingelegde pensioenpremies, de beleggingen en de administratie op zich. Een werkgever kan vervolgens zelf kiezen bij welke partij hij risico’s op arbeidsongeschiktheid en overlijden afdekt. Critici waarschuwen dat werkgevers deze noviteit willen gebruiken om het beleggingsrisico volledig op hun personeel af te wentelen. Naar verwachting zullen in de praktijk vooral dc-regelingen verschuiven van een verzekeraar naar een ppi.

Verwacht wordt dat sommige gegarandeerde pensioenregelingen - eind- en middelloonstelsels -  ook wel defined benefit (DB) genoemd, zullen overgaan naar een ppi. Hiervoor is wel toestemming nodig van de vakbonden of de ondernemingsraad.

Ten onrechte te veel pensioen ontvangen

Een pensioenfonds keert een periode een te hoog pensioen uit. Het pensioenfonds mag - als de fout is ontdekt - de maandelijkse pensioenuitkering wel naar beneden corrigeren, maar het teveel betaalde niet terugvorderen, aldus jurisprudentie.

Gepensioneerden leven soberder

Veertig procent van de gepensioneerden leeft soberder, nadat men met pensioen is. Volgens hen is het dus terecht dat vele Nederlanders zich zorgen maken over het pensioen. De helft van de Nederlanders denkt niet genoeg te ontvangen om de huidige levensstandaard voort te zetten. Dit blijkt uit marktonderzoek (juni 2015) van onderzoeksbureau Multiscope onder 1.231 Nederlandse consumenten.

Daarnaast heeft 7% van de gepensioneerden een bijbaantje om het pensioen aan te vullen. Als de gepensioneerden achteraf iets anders hadden mogen doen, dan hadden ze vooral meer gespaard.

Minderheid wil keuzevrijheid in pensioen

Uit Netspar-onderzoek onder circa 700 werknemers blijkt dat slechts een kleine minderheid van werknemers hecht aan keuzevrijheid. De meerderheid heeft liever dat de pensioenuitvoerder keuzes voor hen maakt. Keuzes afstemmen op specifieke karakteristieken van groepen (maatwerk) kan daarbij interessant zijn.

Mensen zouden in de kabinetsplannen over verschillende aspecten keuzevrijheid kunnen krijgen, zoals de hoogte van de pensioenpremie, het opnemen van kapitaal, de pensioenuitvoerder en het beleggingsbeleid. Ongeveer 15 procent van de werknemers wil keuzevrijheid in de pensioeninleg. Anderen laten deze keuze liever aan de pensioenuitvoerder. (Bron: VVP, 29 mrt. 2016) 

Ombudsman Pensioenen

De Ombudsman Pensioenen is een onafhankelijke instelling die klachten en geschillen behandelt over de uitvoering van een pensioenreglement. Met ingang van 1 januari 2009 zijn ook verzekeraars in hun hoedanigheid van pensioenuitvoerder aangesloten bij de Ombudsman Pensioenen.

Een persoon kan niet per e-mail zijn zaak aanhangig maken, e-mail biedt nog te weinig waarborgen voor de bescherming van de vertrouwelijkheid en omtrent de identiteit van de afzender. Daarom kan men zijn zaak alleen schriftelijk per post voorleggen. Een brief, waarin de klacht of het geschil over pensioen duidelijk wordt omschreven, is voldoende. (Bron: www.ombudsmanpensioenen.nl)

100%-grens en doorwerkvereiste afgeschaft in 2017

De 100%-grens houdt in dat het ouderdomspensioen (inclusief de AOW) niet hoger mag zijn dan 100% van het laatstverdiende pensioengevende loon. Voor het partnerpensioen en het wezenpensioen gelden van de 100%-grens afgeleide grenzen. Deze zijn respectievelijk 70% (partner), 14% (halfwezen) of 28% (wezen). Deze grenzen worden met ingang van 1 januari 2017 afgeschaft.

Een werknemer kon zijn ouderdomspensioen alleen uitstellen na de pensioendatum als hij bleef doorwerken in dienstbetrekking (doorwerkvereiste). Dit doorwerkvereiste wordt eveneens met ingang van 1 januari 2017 afgeschaft.

NB: Het doorwerkvereiste vervalt niet voor prepensioen en tijdelijk overbruggingspensioen.

(Bron: Nieuwsbrief loonheffingen 2017, blz 6)

Gewijzigde ingangsdatum pensioenen vanaf 2017 

Pensioenuitkeringen mogen ingaan op de 1e dag van de maand Pensioenfondsen en pensioenverzekeraars laten uitkeringen meestal ingaan op de 1e dag van de maand. Bijvoorbeeld voor het ouderdomspensioen de 1e dag van de maand waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt of voor het partnerpensioen de 1e dag van de maand waarin de werknemer is overleden.

Deze werkwijze wijkt af van de huidige regels voor het actuarieel herrekenen van een ouderdomspensioen dat start vóór het bereiken van de 67-jarige leeftijd (pensioenrichtleeftijd). En de ingangsdatum van het partner-, wezen- en nabestaanden overbruggings pensioen.

Dat is de reden dat vanaf 1 januari 2017 het ouderdomspensioen, partner-, wezen- en nabestaandenoverbruggings pensioen in mogen gaan op de 1e dag van de maand. Dat geldt voor de maand waarin de werknemer de pensioenleeftijd bereikt, de maand waarin zijn pensioenuitkering start vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en de maand van overlijden. (Bron: Nieuwsbrief Loonheffingen 2017)

Rekenmethode pensioenverzekeraars nadelig voor klanten

Kassa dook in de wereld van rekenrentes, afkoopregelingen en sterftewinst en stuitte op voor consumenten" onbegrijpelijke rekenmethodes en een groot gebrek aan transparantie".
Kassa gaf als voorbeeld Frits Nicolaas. "Hij werd recent 65 en kreeg daardoor te maken met verzekeraars Aegon en Centraal Beheer Achmea. Bij Aegon sloot hij voor 46.000 euro een pensioen af en Centraal Beheer Achmea benaderde Nicolaas om zijn kleine pensioen af te kopen. (...) Na doorvragen kwam Nicolaas erachter dat Aegon voor hem een gemiddelde levensverwachting van 23,46 jaar hanteerde. Simpel gezegd: het door Nicolaas aangeleverde bedrag werd over 23,46 jaar uitgesmeerd om mede tot het bedrag te komen dat hij jaarlijks voor de rest van zijn leven als pensioen ontvangt. Maar bij Centraal Beheer Achmea kreeg Nicolaas bij afkoop echter maar 13 keer zijn opgebouwde jaarpensioen. Voor Nicolaas leek het verschil tussen de 13 jaarbedragen van Centraal Beheer Achmea en de 23,46 jaar van Aegon onredelijk hoog. Daarom stapte hij naar het Kifid.
 
"In Nederland wordt de gemiddelde levensverwachting voorspeld door de rekenmeesters van het Actuarieel Genootschap (A.G.). Op basis van een rekenkundig model dat rekening houdt met toekomstige ontwikkelingen, verwacht het A.G. dat een man die nu 65 wordt gemiddeld nog 20 jaar leeft. Dat is anders dan de 23,46 jaar die verzekeraar Aegon verwacht dat Frits Nicolaas nog leeft. En dat merkt hij in zijn portemonnee, want als Aegon van 20 jaar uit zou gaan hoeft het geld van Nicolaas over een kortere periode worden uitgesmeerd en wordt het jaarbedrag dat hij krijgt hoger.
 
Toen Kassa verzekeraars vroeg naar hun levensverwachting voor een gemiddelde man die op 1 december 2016 65 werd, bleken ze allemaal boven de verwachting van het A.G. te zitten. Met een marge van een half jaar tot 4 jaar en 2 maanden. (Bron en meer: VVP, 12 feb. 2017)

Pensioenleeftijd 

De pensioenleeftijd van werknemers is in 2017 verder gestegen. De gemiddelde leeftijd waarop werknemers met pensioen gingen was 64 jaar en 10 maanden, 5 maanden hoger dan in 2016. 

Begin deze eeuw lag de gemiddelde pensioenleeftijd net onder de 61 jaar. Deze leeftijd begon in 2007 te stijgen onder invloed van regelgeving en wetswijzigingen die als doel hadden werknemers te stimuleren om langer door te werken. Het aandeel werknemers dat voor hun 65e verjaardag met pensioen gaat is sindsdien drastisch gedaald van 88 procent in 2006 naar 38 procent in 2017.

Ook de AOW-leeftijd die vanaf 1 januari 2013 stapsgewijs wordt verhoogd, speelt een rol. In 2017 kregen personen vanaf 65 jaar en 9 maanden een AOW-uitkering. De komende jaren zal de AOW-leeftijd verder stijgen tot 67 jaar en 3 maanden in 2022. Vanaf 2022 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. (Bron; CBS, 20 jun. 2018)

Werkgever verantwoordelijk voor partnerpensioen? 

De zogeheten “huilende weduwe” is de vrees voor elke werkgever en pensioenuitvoerder. Dit is de partner (man/vrouw) van de overleden werknemer, die meent bij de werkgever of pensioenuitvoerder van de overleden werknemer recht te hebben op betaling van partnerpensioen (nabestaandenpensioen). En dan blijkt er geen partnerpensioen opgebouwd te zijn. Kan de werkgever of pensioenuitvoerder daarvoor worden aangesproken?

Als de pensioenregeling daarin niet voorziet, dan hoeft dat niet. Soms is partnerpensioen namelijk niet verplicht, maar kan de werknemer vrijwillig deelnemen aan de pensioenregeling inzake partnerpensioen. De werkgever heeft dan wel de plicht de werknemer duidelijk te wijzen op de eventuele mogelijkheid daartoe en de gevolgen van het wel of niet verzekeren van partnerpensioen. Kiest de werknemer niet voor het vrijwillige partnerpensioen, dan blijft de echtgeno(o)t(e) na overlijden achter zónder partnerpensioen. (Bron: GMW advocaten, 6 jun. 2017)

Met partnerpensioen wordt bedoeld het pensioen dat de nabestaande opbouwt bij een verzekeraar of een pensioenfonds. Daarnaast bestaat er ook de ANW, de Algemeen Nabestaandenwet. Nabestaanden geboren na 1-1-1950 hebben daar echter geen recht meer. Daarom bestaat er de mogelijkheid om een nabestaandepensioen op te bouwen via een ANW-hiaat pensioen, af te sluiten bij een verzekeraar of een pensioenfonds. Voor meer gegevens zie: Anw-hiaat pensioen. En zie ook: Anw-hiaat een inkomensvalkuil


Ga terug naar Algemene Ouderdomswet


Gerelateerde artikelen en/of partner bijdragen:
Gerelateerd nieuws en/of opinies:


 Ondernemingsraad (pensioenen)    Overbruggingspensioen 
OXYLO
Uw bedrijfspensioen begrijpelijk en betaalbaar
Opinies   |   Workshop   |   Download