We hebben helemaal geen pensioenprobleem, maar ook geen staatsschuld!    Later met pensioen 


Is de roep om een nieuw pensioenstelsel een gecoördineerde overval?

Datum laatste wijziging: 22 oktober 2018  |  Trefwoorden: Pensioen, Pensioenstelsel

Stijging premie

Dat Nederland aan een nieuw pensioenstelsel toe is, doet mij denken aan de noodzakelijke privatisering van de ziektekostenverzekering in 2006. De goedkoopste verzekeringen zijn sinds die tijd bijna 5x in prijs1 verhoogd. Gemiddeld is de premie voor ziektekosten met 300% gestegen. Van € 31,25 in 2005 naar nu meer dan € 100 per maand. Het ging in totaal om een bedrag van ruwweg 8 miljard euro per jaar aan ziekenfondspremie (werknemer + werkgever) dat sindsdien in de kas van de verzekeraar terechtkomt.

1 Zie weblog.independer.nl

Nederland rijkste land van de wereld

Nederland is het rijkste land van de wereld. Een overschot op de betalingsbalans en al helemaal geen staatsschuld! En het vermogen van de pensioenfondsen neemt ieder jaar gigantisch toe.

Het vermogen van pensioenfondsen en pensioenverzekeraars is sinds 2008 van 1,1 biljoen euro met ruim 615 miljard euro gegroeid tot 1,7 biljoen euro (1.700 miljard). Dat meldt het CBS (24-2-2016).
Wanneer we daar ook nog de lijfrentes en kapitaalverzekeringen bij optellen, komen we aan het astronomische bedrag van meer dan 2.000 miljard euro aan “pensioengeld”. Dat is ruim € 250.000 per huishouden. (We laten dan nog de meer dan 400 miljard aan spaargeld er buiten)
De positie van de fondsen is aanzienlijk verbeterd door irreële kortingen en premieverhogingen. Wat is dan het probleem bij de pensioenfondsen en verzekeraars die nog nooit zoveel kapitaal hebben gehad? En dan hebben we het nog niet eens over de te hoge beheerskosten van de meeste pensioenfondsen. De verzekeraars met hun woekerpolissen laten we ook voorlopig buiten beschouwing.
 
Hoeveel belasting moet over die € 2.000 miljard  betaald worden? Minstens 30%. Er is dus helemaal geen staatsschuld! Deze vordering wordt gemakshalve niet meegenomen op de balans van de Overheidsschuld.

Dekkingsgraad

Voor de berekening van de dekkingsgraad wordt de actuele waarde van de beleggingen gedeeld door de contante waarde van de pensioenverplichtingen. Voor de actuele waarde van de beleggingen wordt de marktwaarde gebruikt. Over dit deel van de berekening is weinig discussie, maar wel over de berekening van de contante waarde van de pensioenverplichtingen. Voor deze berekening is de hoogte van de rente waarmee de verplichtingen contant worden gemaakt, de disconteringsvoet, essentieel en hier is in Nederland al veel discussie over gevoerd. Om niet te zeggen, dat een dergelijke benadering uiterst discutabel is. Kleine veranderingen in de veronderstelde rente hebben grote invloed op de uitkomst vanwege het hoge aantal deelnemers, hun pensioenrechten en de lange termijn waarover de pensioenen worden uitgekeerd.

De dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen van het fonds en de pensioenverplichtingen. Stel: er wordt geen premie meer betaald en alle opgebouwde pensioenen worden uitbetaald tot de laatste deelnemer is overleden. Bij een dekkingsgraad van 100% lukt dat. Er is precies genoeg geld in kas om de pensioenen te betalen. Boven de 100% houdt het fonds op de begrafenis van de laatste deelnemer nog geld over. Bij een lager percentage is er volgens deze methodiek onvoldoende geld om de langst levende deelnemers nog van een pensioenuitkering te voorzien. Maar wat is de praktische waarde, wanneer pensioenfondsen door de jaren heen gemiddeld 8% rendement op het vermogen maken? Het is eigenlijk bizar dat er, ondanks een decennialang structureel rendement van 8-14%, op dit moment een dekkingstekort zou zijn. Technisch gezien is het allemaal verklaarbaar, maar het is bijna niet meer uit te leggen dat de pensioenen moeten worden gekort, terwijl er tegelijkertijd nog nooit zoveel “geld” in kas heeft gezeten. 
 
De rekenrente is de rente waarmee fondsen toekomstige verplichtingen waarderen (afgeleid van rentes op risicovrij papier) Het is echter van de zotte dat wij ons voor het vaststellen van de dekkingsgraad conformeren aan een rekenrente van 1% gebaseerd op de rentevoet, die meneer Draghi voornamelijk voor  de zuidelijke landen heeft vastgesteld. Nog meer lenen tegen een lage rente om andere dure leningen te kunnen aflossen. Resultaat is (al vele keren voorspeld) dat Griekenland zijn schulden nooit meer kan terugbetalen.

Levensverwachting

100 jaar geleden  besloot de toenmalige Tweede Kamer om de pensioengerechtigde leeftijd van 70 jaar te verlagen naar 65 jaar. Dus 100 jaar lang werd de pensioendatum niet verhoogd!
Bij dit gegeven hoort een levensverwachting: die rond 1900 op 44 jaar lag en 50 jaar later in 1950 voor de man iets meer dan 70 en voor de vrouw op 72 jaar. In 1980 voor de man bijna 73 jaar en de vrouw 80 jaar en in 2011 de man 79 en vrouw 83 jaar. De verwachting is dat we gemiddeld steeds ouder worden.

Maar ook het aantal jaren dat mensen hebben gewerkt, heeft te maken met wanneer zij er aan toe zijn om met pensioen te gaan en laten we de discussie over wel/niet zware beroepen maar even terzijde. In 1917 gingen velen (in weerwil van het kinderwetje van Houten) al op 12 jarige leeftijd aan het werk en bijvoorbeeld in Twente was een hulpje in de textielfabriek in die tijd vaak nog jonger. In 1946 ging het merendeel met 16 jaar aan het werk. Door vooral langere scholing gaat vandaag de dag (als er al werk is) de gemiddelde jongere pas na het twintigste levensjaar aan het werk en velen nog een paar jaar later.

Volgens het CBS (2014) is de gemiddelde leeftijd waarop een man komt te overlijden 80 jaar. De levensverwachting voor pasgeboren meisjes was 83,3 jaar.
Verder geeft het CBS als prognose aan dat de levensverwachting van een Nederlandse man die nu 20 is en in 2060 65 jaar wordt dan nog 24 jaar te leven heeft (en dus gemiddeld 89 zal worden). Een vrouw zal dan gemiddeld 91 worden.

Het langer leven van mensen zal weinig tot geen impact te hebben op de uitkeringstermijn, omdat de pensioeningangsdatum al is uitgesteld naar 67 jaar en deze langzaam verder zal worden uitgesteld. Daardoor ontstaat zelfs een langere financieringstermijn, waar toch weinig tot geen aandacht voor bestaat. Het lijkt echter een ontwikkeling die niet van invloed lijkt op een onderdekking.
Ook de levensverwachting is voor de premievaststelling veel minder interessant geworden, omdat we immers hebben besloten om de pensioengerechtigde leeftijd evenredig te laten stijgen met de levensverwachting (en nu niet meer 100 jaar hetzelfde te laten zijn!)

Rendement

Wat levert de jaarlijkse premie nu feitelijk op?
Met  de logaritmentafel kwamen we tot de volgende uitkomsten, waarbij we de berekeningen bewust eenvoudig hebben gehouden, omdat allerlei andere factoren van ondergeschikt belang zijn.
 
Man 27 jaar
Pensioendatum 69 jaar
Opbouwtermijn 42 jaar
Inkomen € 34.758*
AOW-franchise € 19.758
Pensioengrondslag* € 15.000
Premie (werkgever + werknemer) 23,5%
Jaarpremie € 3.525
Fiscaal toegestaan 70% grondslag € 10.500

 * Bij loonstijgingen en middelloon pensioen zal de premiebijdrage evenredig meegroeien

Wanneer deze man in 2059 de leeftijd van 69 jaar behaalt, dan is de prognose dat hij nog 20 jaar lang van een uitkering mag genieten. Benodigd kapitaal: 20 * € 10.500,-- = €  210.000,--. 
 
Een premie van €  3.525,-- per jaar groeit over 42 jaar, bij de navolgende rendementspercentages, tot het volgende opgebouwd kapitaal:  
      
Premie per jaar €  3.525 €  3.525 €  3.525
Rendement 2% 4% 8%
Opgebouwd kapitaal € 236.737 €  387.794 €  1.161.780
                                                                                                   
Wat is dan het probleem? Ook bij slechts 2% rendement wordt er voldoende kapitaal opgebouwd. Maar waar blijft het bedrag van € 1.161.780 als er gemiddeld 8% rendement wordt gemaakt en er maar tegen die tijd € 210.000 nodig is ? Zijn dat misschien onevenredig hoge kosten en is het rendement en de dekkingsgraad helemaal niet het echte probleem?

Dus eerst maar voordat we nieuwe ideeën lanceren en nieuwe pensioenmethodieken, de kosten eens verklaren.

Zware beroepen?

De pensioenleeftijd kan voor een aantal beroepen (hooguit 15%) te hoog zijn. Discussies hierover: wat is nu wel en niet een zwaar beroep zijn zinloos. Laat iedereen kiezen om tussen zijn 60e en 70e met pensioen te gaan. Daar moet dan meer of minder premie voor worden betaald. Of de uitkering is wat hoger of lager. Simpel toch? Moeilijk te berekenen? Wanneer de rechten individueel worden vastgelegd is dat een simpel computerprogrammaatje.
 
Andries F. Bongers
 

Zie ook CBS: Nationaal vermogen gestegen door grotere pensioenpot
Zie vooral: de pensioenleugen
Zie: Klijnsma wil pensioen onteigenen
 

Gerelateerde artikelen en/of partner bijdragen:
Gerelateerd nieuws en/of opinies:


 We hebben helemaal geen pensioenprobleem, maar ook geen staatsschuld!    Later met pensioen 
OXYLO
Uw bedrijfspensioen begrijpelijk en betaalbaar
Opinies   |   Workshop   |   Download