Wie is verantwoordelijk voor nutteloze wet- en regelgeving?
De afgelopen 25 jaar zijn talloze wetten en regelingen ingevoerd, gewijzigd of vervangen. Vrijwel altijd met een aantrekkelijk doel: vereenvoudiging, betere bescherming, lagere kosten, marktwerking of effectievere handhaving. Maar wat als achteraf blijkt dat een maatregel nauwelijks werkt, niet wordt gehandhaafd of juist méér bureaucratie veroorzaakt?
Dan is de vraag: wie is/was daarvoor verantwoordelijk?
En misschien nog belangrijker: waarom blijven we nieuwe regels invoeren zonder oude regels die onvoldoende werken ook daadwerkelijk op te ruimen?
Een aantal voorbeelden:
Uitzendbureaus: deregulering zonder voldoende controle
Eind jaren negentig werd de uitzendmarkt verder geliberaliseerd en verdween de vergunningsplicht voor uitzendbureaus. Daarna groeide de sector sterk, maar ontstond ook ruimte voor malafide bureaus en constructies waarbij arbeidsrechtelijke en sociale regels onvoldoende werden nageleefd.
Het probleem zit dan niet alleen in deregulering. De belangrijkere vraag is:
waar was de controle en handhaving?
Als de overheid regels versoepelt, maar vervolgens onvoldoende controleert wat daarvan de gevolgen zijn, kan zij niet verbaasd zijn wanneer misbruik ontstaat.
Zorgverzekering: marktwerking én toeslagen
In 2006 veranderde het zorgverzekeringsstelsel ingrijpend. Het onderscheid tussen ziekenfonds en particuliere verzekering verdween en verzekeraars moesten meer met elkaar concurreren.
Marktwerking moest bijdragen aan een doelmatiger systeem. Tegelijkertijd moest de verzekering voor iedereen betaalbaar blijven. Daarvoor werd de zorgtoeslag een belangrijk instrument.Het resultaat is een stelsel waarin marktwerking, overheidsregulering en inkomensafhankelijke compensatie naast elkaar bestaan.
De vraag is dan gerechtvaardigd: is het stelsel werkelijk eenvoudiger geworden?
Sociale verzekeringen: wie is verantwoordelijk?
Ook bij de sociale verzekeringen werden verantwoordelijkheden opnieuw verdeeld.
Vanaf 2006 kwam de inning van werknemerspremies bij de Belastingdienst terecht, terwijl het
UWV belangrijke onderdelen van de werknemersverzekeringen bleef uitvoeren.
Tegelijkertijd ontstond jarenlang discussie over de beoordeling en handhaving van arbeidsrelaties, met name rond zelfstandigen. Daarmee ontstaat een bekend probleem: uitvoering, inning, toezicht en handhaving worden verdeeld over verschillende organisaties.
Maar wie is dan uiteindelijk verantwoordelijk wanneer het systeem niet goed functioneert?
Voor werkgevers is die vraag bepaald niet theoretisch. Zij moeten ondertussen wél weten welke regels gelden. Bij twijfel over arbeidsrecht, sociale zekerheid of arbeidsrelaties kan daarom deskundig advies worden ingewonnen via
Merknemers.nl.
Werkkostenregeling: vereenvoudiging?
De Werkkostenregeling (
WKR) moest een groot aantal afzonderlijke fiscale regels voor vergoedingen en verstrekkingen vervangen. Dat klinkt als vereenvoudiging. Maar werkgevers kregen vervolgens te maken met de vrije ruimte, gerichte vrijstellingen, uitzonderingen en administratieve voorwaarden.
Een bekend patroon: regels verdwijnen, maar daarvoor komen nieuwe regels terug.
Vereenvoudiging zou daarom niet moeten worden beoordeeld op het aantal geschrapte bepalingen, maar op de vraag of werkgevers er in de dagelijkse praktijk daadwerkelijk minder werk aan hebben. En of het ook de voordelen biedt, die het Kabinet (Wiebes) aangaf.
Nulurencontracten: verbieden of verbeteren?
Ook nuluren- en oproepcontracten staan regelmatig ter discussie. Werknemers met oproepcontracten hebben inmiddels aanzienlijk meer wettelijke bescherming gekregen. Toch blijft de roep bestaan om flexibele contractvormen verder terug te dringen. Daarbij wordt soms vergeten waarom deze contracten bestaan.
In sectoren als zorg, horeca en seizoensarbeid kan de behoefte aan personeel sterk wisselen. Werkgevers hebben dan flexibiliteit nodig, terwijl werknemers terecht behoefte hebben aan zekerheid.
De discussie zou daarom niet alleen moeten gaan over het verbieden van contractvormen, maar over de vraag: hoe combineren we flexibiliteit met voldoende bescherming?
Wet DBA: van oplossing naar jarenlange onzekerheid
De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) werd in 2016 ingevoerd en verving de VAR. De wet moest duidelijker maken wanneer iemand als zelfstandige werkt en wanneer feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. Maar juist over die beoordeling ontstond jarenlang onzekerheid. Terwijl er in 2006 al bij een duidelijk convenant was afgesproken dat de Belastingdienst de
Wet op de Verzekeringsplicht ging handhaven en controleren.
Dat is misschien wel het duidelijkste voorbeeld van het probleem met nieuwe regelgeving: een wet die duidelijkheid moet brengen, kan zelf nieuwe onzekerheid veroorzaken.
Voor werkgevers en opdrachtgevers die met zelfstandigen werken, is het daarom verstandig de arbeidsrelatie vooraf goed te beoordelen.
Rapporteren om CO₂ te verminderen
Een recenter voorbeeld is de rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit.
Het doel is begrijpelijk: de CO₂-uitstoot van zakelijke mobiliteit en woon-werkverkeer verminderen. Maar daarvoor moeten werkgevers gegevens verzamelen en rapporteren over kilometers en vervoersmiddelen.
De vraag is:
vermindert een rapportage de uitstoot, of meet zij alleen wat er gebeurt?
Veel werkgevers stimuleerden al elektrisch rijden, fietsen, openbaar vervoer en thuiswerken voordat deze verplichting bestond.
Voor hen betekent de regeling dus vooral extra administratie.
Bij iedere nieuwe rapportageplicht zou daarom moeten worden aangetoond dat de administratieve last in verhouding staat tot het resultaat.
En straks betalen per kilometer?
Ook plannen om automobilisten te laten betalen naar gebruik laten zien hoe snel een beleidsdoel kan leiden tot een nieuw administratief systeem.
Wanneer gereden kilometers de basis vormen voor belastingheffing, moeten die kilometers betrouwbaar worden vastgesteld. Dat roept direct vragen op over registratie, uitvoeringskosten, privacy, controles, fouten en bezwaarprocedures.
Technisch kunnen we steeds meer registreren.
Maar de belangrijkste vraag is niet: kan het?
De vraag is:
waarom is het nodig en wordt het systeem er werkelijk beter van?
Automobilisten betalen immers nu al belastingen die samenhangen met autobezit en brandstofgebruik. Een nieuw systeem moet daarom aantoonbaar voordelen hebben die opwegen tegen de kosten en complexiteit ervan.
Tabellen, schijven, percentages en toeslagen
Een ander voorbeeld van toenemende complexiteit zien we ieder jaar bij belastingen, heffingskortingen en toeslagen.
Percentages en grenzen veranderen, soms tot ver achter de komma, om koopkrachteffecten zo nauwkeurig mogelijk te corrigeren. Maar iedere correctie maakt het totale systeem ingewikkelder. Ook de
heffing, wat een verzamelnaam is voor de premie AOW en loonbelasting, is volkomen onduidelijk.
Wanneer burgers nauwelijks meer kunnen voorspellen wat een hoger inkomen, meer uren werken of een verandering van huishouden netto betekent, moet je je afvragen of verdere verfijning nog verbetering is. Complexiteit heeft óók een prijs.
Wat moet straks nog meer worden gerapporteerd?
Werkgevers krijgen ondertussen steeds meer registratie-, informatie- en rapportageverplichtingen.
Iedere verplichting afzonderlijk lijkt misschien beperkt. Maar tel ze bij elkaar op en er ontstaat een aanzienlijke administratieve last.
Daarom zouden bij iedere nieuwe regel drie simpele vragen moeten worden gesteld:
- Welk concreet probleem lossen we hiermee op?
- Is aannemelijk dat deze maatregel dat probleem daadwerkelijk oplost?
- Wegen de voordelen op tegen de kosten en administratieve lasten?
Als die vragen niet overtuigend kunnen worden beantwoord, moet de vraag worden gesteld of de regel überhaupt nodig is.
De vierde macht
Wie bedenkt al die regels eigenlijk? Wetgeving is formeel een zaak van regering en parlement, maar een groot deel van beleid en regelgeving wordt kennelijk spontaan voorbereid door ministeries, ambtenaren en uitvoeringsorganisaties.
"Top-ambtenaren hebben berekend dat . . . . ." En dat komt er een conclusie, waar de politiek (nog) niet om heeft gevraagd.
Bestuursrechtgeleerde prof. mr. dr. R. Crince Le Roy beschreef de invloed van het ambtelijk apparaat al decennia geleden als de vierde macht.
Ambtelijke deskundigheid is onmisbaar. Maar wanneer een beleidsvoorstel eenmaal uitgebreid is voorbereid, doorgerekend en uitgewerkt, kan het voor de politiek lastig zijn om nog fundamenteel van koers te veranderen.
Daarom moeten we niet alleen vragen welke minister een wet heeft ingevoerd of welke Kamerleden ervoor hebben gestemd.
We moeten ook vragen:
Wie bedacht deze maatregel? Welk probleem moest worden opgelost? Welke alternatieven zijn onderzocht? En is achteraf gecontroleerd of de maatregel heeft gewerkt?
Wie is uiteindelijk verantwoordelijk?
Niet iedere nieuwe wet is nutteloos. En regelgeving ontstaat meestal vanuit een daadwerkelijk maatschappelijk probleem.
Maar er lijkt wel een terugkerend patroon te bestaan.
Nieuwe wetgeving wordt aangekondigd met begrippen als vereenvoudiging, bescherming, marktwerking, transparantie en efficiëntie.
Een aantal jaren later blijkt de werkelijkheid soms heel anders.
Daarom zou iedere belangrijke nieuwe wet niet alleen vooraf moeten worden beoordeeld, maar ook na bijvoorbeeld drie of vijf jaar verplicht moeten worden geëvalueerd.
- Heeft de wet bereikt wat werd beloofd?
- Wat kost de uitvoering?
- Welke administratieve lasten zijn ontstaan?
- Welke onbedoelde effecten zijn er?
- En vooral: zouden we deze wet, met de kennis van nu, opnieuw invoeren?
Is het antwoord nee, dan zou afschaffen of vereenvoudigen net zo normaal moeten zijn als het invoeren van nieuwe regels.
Tot die tijd moeten werkgevers en ondernemers zich door een steeds veranderend landschap van arbeidsrecht, sociale zekerheid, fiscaliteit en rapportageverplichtingen bewegen.
Voor praktische ondersteuning en advies over deze onderwerpen kunt u terecht bij
Merknemers.nl.
Want misschien is dat wel de beste graadmeter voor de complexiteit van wetgeving:
Als je steeds vaker een deskundige nodig hebt om te begrijpen wat de overheid precies van jou als werkgever verlangt, is de vraag gerechtvaardigd of de regels zelf niet eenvoudiger kunnen.
CEO, founder en eindredacteur bij HR-kiosk.nl, directeur van HR-kiosk BV, directeur en consultant De Bongerd VOF,was Bestuurslid
NVP, Auteur "Fiscaal Vriendelijk Belonen", Partner van
Merknemers.nu
Interesse: Beloningsmanagement, Arbeidsrecht, HR Generalist, Columnist.
Visie over Personeelsbeleid Interview dr. Miranda Langedijk op pagina 6/10