Inhoud
- Opbouw pensioenrechten
- 26-weken eis
- StiPP Basis- en plusregeling
- Tegenstrijdige jurisprudentie
- Kamervragen over StiPP Pensioenfonds
- Recht op compensatie
Opbouw pensioenrechten
Uitzendkrachten bouwen pensioenrechten op als zij:
- ten minste in 26 weken werkzaam zijn geweest in één uitzendonderneming en;
- 21 jaar of ouder zijn. Is hieraan voldaan dan begint de pensioenopbouw op de eerste dag van de maand waarin de 21ste verjaardag valt.
26-weken eis
Beslissend voor deelnemen aan de pensioenverzekering is dat een uitzendkracht in ten minste 26 weken bij een en hetzelfde uitzendbureau heeft gewerkt. Voldoet hij eenmaal aan de 26-wekeneis en wordt hij vervolgens uitgezonden door een ander uitzendbureau, dan blijft hij hieraan verplicht deelnemen. De 26-wekeneis gaat niet opnieuw gelden bij het nieuwe uitzendbureau. De verplichte deelname stopt als twee uitzendovereenkomsten worden onderbroken door een periode van ten minste één jaar. Na een dergelijk lange onderbreking gaat de 26-wekeneis opnieuw lopen. Uitzendkrachten die op 1 januari 2004 al aan de 26-wekeneis voldoen, gaan al vanaf deze datum deelnemen aan de regeling. De regeling sluit deelname uit als deelname aan een pensioenregeling bij een ander bedrijfstakpensioenfonds verplicht is.
StiPP Basis- en plusregeling
De pensioenregeling voor flexkrachten, uitzendkrachten en gedetacheerden is per 1 januari 2008 gewijzigd, vanaf deze datum gelden twee pensioenregelingen: de Basisregeling en de Plusregeling.
De Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP) voert de regelingen uit.
De
Basisregeling is vergelijkbaar met de 'oude' pensioenregeling voor de uitzendbranche die in 1999 werd ingevoerd. Deze is bestemd voor uitzendkrachten vanaf 21 jaar en ouder die langer dan 26 weken voor één uitzend- of detacheringsbureau werken. De premie komt volledig voor rekening van het uitzendbureau.
De
Plusregeling geldt voor de flexkracht van 21 jaar en ouder die meer dan 78 weken heeft gewerkt. De Plusregeling is een beschikbare premieregeling, het uitzendbureau betaalt twee derde, de flexkracht een derde deel. Daarnaast is er een nabestaandenpensioen geregeld en betaalt de
StiPP de premie bij arbeidsongeschiktheid.
De percentages van de Basis- en Plusrekening zijn te vinden in subrubriek
Pensioen StiPP (tabellen).
Tegenstrijdige jurisprudentie
Eind 2014 heeft het
Gerechtshof Amsterdam in twee arresten geoordeeld dat ook ondernemingen die zich bezig houden met het detacheren van hoogopgeleid personeel verplicht zijn deel te nemen aan de pensioenregeling van
StiPP. Het feit dat deze ondernemingen geen allocatiefunctie vervullen acht het hof niet van belang. Doorslaggevend was dat leiding en toezicht op grond van de overeenkomst van opdracht was overgedragen aan de inlener.
Op 3 februari 2015 heeft het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in tegenstelling tot het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat een allocatiefunctie (wel) vereist is om te kunnen spreken van een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690
BW.
Mogelijk dat in één van de zaken de Hoge Raad meer duidelijkheid over dit vraagstuk zal geven. (Bron: Rechtblog,
16 apr. 2015)
Recht op compensatie
Op grond van de cao voor Uitzendkrachten heeft een uitzendkracht recht op een compensatie, indien de pensioenregeling van de opdrachtgever beter is dan de pensioenregeling van de uitzendkracht (
StiPP).
Maar hoe zit dat als het uitzendbureau helemaal geen lid is van de
ABU, NBBU of de VvDN (Vereniging van Detacheerders Nederland)?
Die uitzendondernemingen vallen terug op de WAADI. Denk bijvoorbeeld aan een buitenlands uitzendbureau (A1-verloning).
Op grond van artikel 8 lid 1 WAADI dienen de zogenaamde 'essentiële arbeidsvoorwaarden' van de uitzendkracht gelijk te zijn aan hetgeen de opdrachtgever betaalt. Wat essentiële arbeidsvoorwaarden zijn wordt in het hashtag#Dosign-arrest en Europa (hashtag#Randstad hashtag#Empleo) heel ruim uitgelegd. Hier kan in mijn optiek ook pensioen onder vallen.
De Nederlandse wetgever heeft in het Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers echter betoogd dat pensioen (als enige) een niet-essentiële arbeidsvoorwaarde is en niet onder de reikwijdte van artikel 8 lid 1 WAADI valt. Via voornoemd wetsvoorstel gaat de wetgever in artikel 8 lid 4 WAADI regelen dat het pensioen gelijkwaardig dient te zijn.
Dit wetsvoorstel gaat echter pas op zijn vroegst in per 1 juli 2026!💣 Dat zou betekenen dat we in de tussentijd geen pensioen hoeven te compenseren.
Dus wat gaan we doen? Kiezen we voor de Europese zienswijze en dient (bijvoorbeeld) een buitenlands uitzendbureau ook pensioen te compenseren of volgen we de Nederlandse wetgever en behoeft een buitenlands uitzendbureau helemaal geen pensioen te compenseren?
Een buitenlandse uitzendkracht (A1-verloning, geen StiPP en geen pensioencompensatie) is dan flink goedkoper dan een Nederlandse uitzendkracht.
Artikel overgenomen van Flexnieuws, Jasper van der Voet
Kamervragen over StiPP Pensioenfonds
Opnieuw zijn er Kamervragen gesteld over de verplichte aansluiting bij het Pensioenfonds
StiPP. De nieuwe Ontslagregeling is zeer recent voor het kamerlid Omtzigt (CDA) en het kamerlid Van Weyenberg (D66) aanleiding geweest vragen te stellen aan staatssecretaris Klijnsma. In de Ontslagregeling staat een andere definitie van uitzendwerkgever dan die het pensioenfonds hanteert.
De leden vragen zich af of de allocatiefunctie, het bij elkaar brengen van vraag en aanbod, voorwaarde is voor het zijn van uitzendwerkgever. In de Ontslagregeling staat dit duidelijk vermeld. (Bron: FlexWijzer,
9 jun. 2015)
Ga terug naar subrubriek Uitzendarbeid.