Werknemer niet aangemeld bij verplicht pensioenfonds; geen claim, wel pensioen

Opinie  |  vr 2 jan 2026  |  Bron: Gommer Advocaten  |  Auteur: Linda Evers  |  Trefwoorden: , , , , ,


In een recente procedure bij Rechtbank Midden-Nederlanden[1] speelde de vraag of een werknemer een vordering heeft, als hij niet is aangemeld bij een verplicht pensioenfonds. De rechtbank oordeelt van niet, want de werknemer heeft al recht op pensioen. Hierdoor ontstaat een complexe situatie. Om die reden roept de rechtbank op tot een praktische oplossing.

Wat was er aan de hand?

De werknemer heeft van 1988 tot 2017 bij een onderneming gewerkt, die zowel boekhandel- als drukkerijactiviteiten verricht. De werknemers in de boekhandel bouwden pensioen op bij Bpf Detailhandel. De werknemers in de drukkerij bij PGB. Deze werknemer deed beide activiteiten. Om die reden was voor hem een aparte pensioenverzekering afgesloten bij Achmea. Dit was eerst een kapitaalovereenkomst en later een premieovereenkomst. De werknemer stelt nu dat hij toch pensioen had moeten opbouwen bij Bpf Detailhandel. In de procedure spreekt hij daarom de ondernemingen, Achmea én Bpf Detailhandel aan.

Wat vindt de kantonrechter hiervan?

De kantonrechter buigt zich eerst over de vraag of en zo ja over welke periode de werknemer pensioen had moeten opbouwen bij Bpf Detailhandel. De kantonrechter beperkt de periode van 1988 – 2017 tot 2002 – 2017. Dit omdat uit de loongegevens blijkt dat tot 2002 de drukkerijwerkzaamheden de loonkosten van de winkel overtroffen. Vanaf 2002 had de werknemer dus pensioen moeten opbouwen bij Bpf Detailhandel. Dat deel van de verklaring voor recht wordt dus toegewezen. Dit verwijt werknemer de ondernemingen, Achmea en Bpf Detailhandel. Maar is dit terecht?

Ondernemingen

Inzake de ondernemingen overweegt de kantonrechter dat de werknemer binnen de ondernemingen de pensioenzaken regelde. Werknemer ging er tot 2017 vanuit dat hij niet onder Bpf Detailhandel viel. Om die reden kan het de ondernemingen niet worden verweten dat de werknemer niet is aangemeld bij Bpf Detailhandel. De functie van de werknemer pleit de ondernemingen dus vrij. Zij hebben niet onrechtmatig gehandeld.

Achmea

Achmea wordt echter hierdoor niet vrijgepleit. In 1993 is een kapitaalovereenkomst tot stand gekomen. Deze verzekering werd te duur voor de ondernemingen. Om die reden heeft werknemer namens de ondernemingen om een goedkopere regeling verzocht. Dit gebeurde in 2007. Achmea heeft toen een premieovereenkomst verzekerd. Op Achmea rust een zorgplicht. Zij had moeten onderzoeken of mogelijk sprake was van een verplichte aansluiting bij een pensioenfonds. Dit heeft Achmea in 2007 niet gedaan. Dat werknemer bij de ondernemingen de pensioenen regelde, pleit Achmea niet vrij. In 2007 sloot de werknemer een goedkopere (slechtere) pensioentoezegging voor zichzelf. Dit maakt dat hij niet over uitgebreide pensioenkennis beschikte. Zij had zelfstandig onderzoek moeten doen. Door dit niet te doen, heeft Achmea haar zorgplicht geschonden.

Bpf Detailhandel

Volgens de kantonrechter heeft Bpf Detailhandel niet onrechtmatig gehandeld. Dat ze een afstandsverklaring heeft toegestuurd voor de periode vóór 2017, maakt dit niet anders. Dit moet gezien worden in het licht van een mogelijke oplossing. Dat geldt ook voor de waardeoverdracht van Achmea naar Bpf Detailhandel. Daarmee zou de pensioenopbouw bij Bpf Detailhandel (deels) gefinancierd kunnen worden. Hierover is tussen partijen gesproken. De werknemer heeft echter de offerte van Bpf Detailhandel voor deze waardeoverdracht niet geaccepteerd.

En nu verder?

De werknemer heeft gevorderd dat hij in de situatie wordt gebracht alsof hij pensioen had opgebouwd bij Bpf Detailhandel. Dit wordt afgewezen. Bpf Detailhandel moet de werknemer, nu hij onder de verplichtstelling valt, pensioen toe kennen. Dit is het zogenaamde “geen premie, toch recht-principe”. Dit principe gaat niet op bij o.a. opzet en vrijwillige voortzetting. Maar daarvan is in deze kwestie geen sprake. Ook artikel 16 van het pensioenreglement redt Bpf Detailhandel niet. Het niet aanmelden van de werknemer is geen bewust handelen door de ondernemingen en de werknemer geweest.

Eiser kan dus aanspraak maken op pensioen, maar de vordering daartoe wordt afgewezen. Deze aanspraak op pensioen bestaat namelijk al.

Vreemde situatie

Hierdoor ontstaat wel een vreemde situatie. Bpf Detailhandel heeft geen premie ontvangen, maar moet wel pensioen toekennen. Zij wil dus alsnog premie van de ondernemingen ontvangen. Achmea heeft wel premie ontvangen. Daar staat ook pensioen voor de werknemer tegenover. Daarnaast heeft Achmea haar zorgplicht geschonden en is in dat kader schadeplichtig. Dit nu ze niet heeft onderzocht of werknemer moest aansluiten bij Bpf Detailhandel. De werknemer heeft echter de waardeoverdracht van Achmea naar Bpf Detailhandel geweigerd. Hierbij zou de opbouw bij Bpf Detailhandel (deels) gefinancierd kunnen worden. Dubbele pensioenopbouw kan immers voor de werknemer tot een fiscale claim leiden. 

De kantonrechter roept partijen dan ook op, te zoeken naar een praktische oplossing. Dat vraagt van alle partijen inspanning en een redelijke houding. De werknemer zal dus op enig moment een keuze tussen beide pensioenregelingen moeten maken. Dit ook al weet de werknemer (nog) niet welke pensioenregeling uiteindelijk meer pensioen oplevert.  

Conclusie

Als een onderneming onder een verplicht gesteld pensioenfonds valt, heeft een werknemer recht op pensioen. Het maakt dan niet uit of het pensioenfonds pensioenpremie ontvangt. Dit is het “geen premie, toch recht-principe”. Een vordering hiertoe is niet nodig. Die claim wordt afgewezen.

Uiteraard probeert het pensioenfonds de premie op de werkgever te verhalen. Het is daarom van groot belang om periodiek na te gaan of sprake is van een verplichte aansluiting bij een pensioenfonds. Temeer als wel sprake is van een pensioentoezegging binnen de onderneming. Dan kan immers de situatie ontstaan dat een werknemer tweemaal pensioen opbouwt. Dat is voor de werknemer weer niet wenselijk. Dan kan immers een fiscale claim volgen. Het niet onderzoeken kan weer een schending van de zorgplicht van de verzekeraar zijn. Zo ontstaat een groot spinnenweb van verantwoordelijkheden.

Opvallend in deze uitspraak is ook dat de functie van de werknemer een rol speelt. Dat de werknemer de pensioenen regelt binnen de onderneming, pleit de onderneming vrij. Zij heeft hierdoor niet onrechtmatig gehandeld door de werknemer niet aan te melden bij het fonds. Het pleit echter een verzekeraar niet vrij. Zij had zelfstandig onderzoek moeten doen naar de verplichte aansluiting.

Kortom, verplichte pensioenfondsen vragen van alle betrokken partijen: werkgever – werknemer – verzekeraar – tussenpersoon en natuurlijk het fonds zelf, de nodige aandacht. Het begint echter bij de onderneming. Weet wat je positie is, handel daarnaar en voorkom daarmee claims van werknemers.  

Wilt u meer informatie over een verplichte aansluiting bij een pensioenfonds en of uw bedrijf aangesloten dient te worden?
De advocaten van Gommer Advocaten staan voor u klaar.


[1] Rechtbank Midden-Nederland, 3 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6564

 

Linda Evers

Linda Evers Meer info