Een manege en het verplicht gestelde pensioenfonds PFZW; een op het oog niet logische combinatie

Opinie  |  di 24 feb 2026  |  Bron: Gommer Advocaten  |  Auteur: Linda Evers  |  Trefwoorden: , , , , , , ,

Het bewijs dat een (periodieke) Bpf-check van groot belang is.

Al vaker schreven we over verplicht gestelde pensioenfondsen. In Nederland kent een aanzienlijk aantal branches een dergelijk verplicht gesteld pensioenfonds. Vallen de werkzaamheden van de onderneming onder de werkingssfeer van een verplicht pensioenfonds? Dan heeft noch de werkgever, noch de werknemer een keuze. De aansluiting en deelname is verplicht. Dit inclusief verplichte (hoge) premieafdracht, voor zowel werkgever als werknemer. Een dergelijke aansluiting kan ook met terugwerkende kracht plaatsvinden. Het is daarom van belang om periodiek, maar zeker bij gewijzigde omstandigheden, te onderzoeken of mogelijk sprake is van een verplichte aansluiting. Hierdoor kan veel financiële en administratieve ellende voorkomen worden.

Rechtbank Midden-Nederland

Een recente uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland[1] laat deze relevantie zien. Ook laat deze uitspraak zien dat sprake kan zijn van een verplichte aansluiting, terwijl je het misschien niet verwacht.
Wat was er aan de hand? Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) heeft een onderneming in het vizier gekregen.
Deze onderneming oefent een managebedrijf uit. De activiteiten van de onderneming bestaan hoofdzakelijk uit het aanbieden van paardrijlessen.
Dat lijkt op het oog weinig met zorg en welzijn te maken te hebben. Echter, vanaf 1 januari 2021 biedt de manege ook zorgactiviteiten aan. Vanaf 1 januari 2021 verleent de manege namelijk zorg in de vorm van begeleiding. Zij is sinds dat moment (ook deels) een zorgmanege.
Er is sprake van kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag.
Zij werken op de manege aan zelfstandigheid, zelfvertrouwen, samenwerken en sociale vaardigheden.
Deze zorgactiviteiten worden verricht door een orthopedagoog, die bij de manege in dienst is. De activiteiten worden gefinancierd uit de WMO en WLZ.  

Verplichte aansluiting

Om die reden concludeert PFZW in 2025 dat vanaf 1 januari 2021 sprake is van een verplichte aansluiting. De manege stelt zich op het standpunt dat zij nog altijd paardrijlessen aanbiedt. Bij zorgklanten nemen deze lessen alleen wat meer tijd en persoonlijke aandacht in beslag. In de kern zijn de activiteiten echter niet anders of gewijzigd. PFZW stelt dat het aanbieden van paardrijlessen aan zorgklanten: - het verlenen zorg of hulp omvat – in de vorm van begeleiding. Daarmee wordt voldaan aan de omschrijving van intramurale en/of extramurale zorg, zoals opgenomen in het besluit.

Oordeel rechtbank

De rechtbank legt het verplichtstellingsbesluit aan de hand van de cao-norm uit. Dit betekent dat de bewoordingen van het besluit, gelezen in het licht van de tekst van het gehele besluit van doorslaggevende betekenis zijn. De bedoeling van partijen is dus niet relevant. Aan de hand van deze uitleg is de rechtbank van mening dat zorg niet verleend hoeft te worden door een zorginstelling. Bepalend is of een van de vormen van zorg wordt verleend. De rechtbank oordeelt dat de manege dit doet. De nieuwe activiteiten en de vorm van financiering hiervan vallen onder het besluit. Dat de hoofdactiviteit nog altijd het geven van paardrijles is, maakt dit niet anders. Dit onderdeel van het besluit kent namelijk geen hoofdzakelijkheidscriterium.

De manege heeft aangedragen dat áls zij onder het besluit valt, dit niet de intra- en/of extramurale zorg is, maar het welzijnswerk en maatschappelijke dienstverlening.
Dit onderdeel kent namelijk wél een hoofdzakelijkheidscriterium. Om die reden valt de manage, zo stelt ze, niet onder de werkingssfeer.
De zorgactiviteiten zijn immers ondergeschikt aan het geven van paardrijlessen.
De rechtbank gaat hierin niet mee.

PFZW heeft op de zitting uitgelegd dat dit onderdeel ziet op het bevorderen van arbeidsparticipatie. De manege heeft dit niet weerlegd. Ze heeft ook niet onderbouwd waarom wél sprake zou zijn van welzijnswerk en/of maatschappelijke dienstverlening. Haar activiteiten hebben geen arbeidsparticipatie ten doel. Het doel is het vinden van een plek in de maatschappij voor haar zorgklanten. De financiering hiervan vindt ook niet vanuit de Participatiewet plaats. De manege moet dus aansluiten bij PFZW met terugwerkende kracht per 1 januari 2021. Dat is vijf jaar premie, die ineens afgedragen moet worden. Dit kan de continuïteit van een onderneming flink onder druk zetten.

Terugwerkende kracht

In deze kwestie speelt niet de vraag of een deel van de premie over het verleden wellicht verjaard is. De terugwerkende kracht is hier immers korter dan vijf jaar. Verjaring is echter wel belangrijk aspect in dergelijke discussies. In het zogenaamde Booking-arrest[2] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat verjaringstermijn voor pensioenpremies in principe vijf jaar is op grond van artikel 3:308 BW. De aansluitingsverplichting ontstaat van rechtswege. Op grond van artikel 26 Pensioenwet moet een jaarpremie binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar betaald zijn. Dan begint dus de verjaringstermijn te lopen. Een uitzondering kan zijn als de onderneming zich opzettelijk verborgen heeft gehouden voor het pensioenfonds. Of als het beroep van de onderneming op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ook is er wellicht de mogelijkheid voor een pensioenfonds een schadevergoeding te vorderen op grond van een onrechtmatige daad. Dan is sprake van een langere verjaringstermijn. Het risico van een aansluiting met terugwerkende kracht mét bijbehorende premielast benadrukt de noodzaak van een periodiek Bpf-onderzoek.

Conclusie

Deze uitspraak laat zien dat een (lichte) wijziging van activiteiten een verplichte aansluiting doet ontstaan. De manege ging niets anders doen dan ze al deed: het aanbieden van paardrijlessen, maar dan in een aangekleed jasje. Haar doelgroep hiervoor én de financiering van dit aanbod maken echter dat PFZW van toepassing wordt. Dit komt wel vooral door het ontbreken van een hoofdzakelijkheidscriterium op dit punt. Het geven van paardrijlessen is immers nog altijd de hoofdactiviteit van de onderneming.
Als er dus sprake is van gewijzigde omstandigheden is het zeer verstandig om te (laten) onderzoeken of dit ook gevolgen voor pensioen heeft. Door een wijziging kan een verplichting tot aansluiting bij een pensioenfonds ontstaan (of juist wegvallen). Dit kan ook gebeuren, zonder dat de activiteiten van een onderneming wijzigen. Immers, verplichtstellingsbesluiten worden ook aangepast. Hierdoor kan de werkingssfeer wijzigen, waardoor meer of ook andere ondernemingen onder de werkingssfeer komen te vallen. Of juist niet langer meer onder de werkingssfeer vallen. Zo kunnen ook combinaties ontstaan, die op het eerste oog niet logisch lijken. Zoals in deze uitspraak paardrijden en PFZW. De (mogelijke) administratieve en vooral financiële gevolgen van een aansluiting met terugwerkende kracht moeten een extra reden zijn voor een periodieke Bpf-check. Wees hier dus scherp op.

Wat zal de volgende zet zijn?


[1] https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:371

[2] https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2025:423
 

Linda Evers

Linda Evers Meer info