Begrotingsakkoord 2013 (juni 2012)    Belastingplan 2014 (september 2013) 


Belastingplan 2013 (september 2012)

Op 18 september 2012 (Prinsjesdag) heeft minister de Jager van Financiën het Belastingplan en overige fiscale maatregelen 2013 - zijnde wetsvoorstellen - ingediend bij de Tweede Kamer. Tenzij anders aangegeven is de datum van de inwerkingtreding 1 januari 2013.

Veel van de gepresenteerde plannen en wetsvoorstellen op Prinsjesdag 2012 vinden hun oorsprong in het Kunduz/lente-akkoord en sommige voorstellen zijn inmiddels door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen, zie paragraaf Overzicht Lente-akkoord en aangenomen wetten. Er zijn ook nieuwe voorstellen en het nog te vormen kabinet zal nog met meer naar buiten komen. 
 
De voorstellen die op Prinsjesdag bekend zijn gemaakt en verband houden met HR-Kiosk (en soms daarbuiten) treft u onderstaand in alfabetische volgorde aan:

Afdrachtvermindering onderwijs
Op het gebied van de afdrachtvermindering onderwijs wordt een aantal maatregelen voorgesteld:
• Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs komt te vervallen.
• De afdrachtvermindering startkwalificatie komt te vervallen.
• Met ingang van 2013 geldt de afdrachtvermindering onderwijs alleen voor deelname aan een volledige opleiding waarbij de intentie bestaat tot het behalen van een erkend diploma. Heeft de leerling bepaalde vrijstellingen dan blijft het recht op de afdrachtvermindering onderwijs bestaan. Volgt de werknemer echter slechts één of enkele losse modules dan vervalt het recht op de afdrachtvermindering onderwijs.
• De duur waarop recht bestaat op de afdrachtvermindering onderwijs wordt evenredig verminderd als de werknemer voor een deel van de totale opleiding vrijstellingen geniet.
• Als gevolg van het onverkort toepassen van de urennorm voor de afdrachtvermindering onderwijs worden opleidingen die niet aan de urennorm voldoen uitgesloten.
• Om in aanmerking te komen voor de afdrachtvermindering onderwijs dient een programmaverklaring aanwezig te zijn, waarin onderwijsinstelling, werkgever en leerling-werknemer vastleggen dat het de intentie is een volledige opleiding te volgen en deze met een erkend diploma af te ronden. Deze door de betrokken partijen gezamenlijk ondertekende programmaverklaring moet als bijlage bij de beroepspraktijkvormingsovereenkomst (bol en bbl), de onderwijsarbeidsovereenkomst (werkend-leren op hbo-niveau) of de leer-werk-overeenkomst (vmbo) worden opgenomen. Daarin dient tevens te worden vermeld welk deel van de opleiding wordt gevolgd (rekening houdend met vrijstellingen), waar het te volgen deel uit bestaat (modules) en welke opleidingsduur daarmee gemoeid is.
• Indien hier niet aan wordt voldaan kan de inspecteur aan de inhoudingsplichtige een sanctie in de vorm van een verzuimboete opleggen. Deze boete bedraagt in beginsel € 2.460 en kan in uitzonderlijke gevallen worden verhoogd tot € 4.920.
• Om werkgevers te stimuleren zich nog meer in te spannen hun duale werknemers een diploma te laten behalen wordt voorgesteld een aanvullende afdrachtvermindering in te voeren voor de varianten bbl en werkend-leren op hbo-niveau. Deze aanvullende afdrachtvermindering wordt aan het einde van de opleiding, bij het met goed gevolg afronden van de opleiding (behalen van het beoogde diploma), in aanmerking genomen. Daartoe wordt de gedurende de opleiding in aanmerking te nemen afdrachtvermindering onderwijs voor de varianten bbl en werkend-leren op hbo-niveau verlaagd. Vanwege de uitvoerbaarheid wordt voorgesteld de aanvullende afdrachtvermindering bij het behalen van een diploma niet tranchegewijs in te voeren, maar ook aan bestaande gevallen toe te kennen.

Afdrachtvermindering S&O
Het percentage van de afdrachtvermindering S&O bedraagt in 2013 38%. Daarnaast loopt de eerste schijf tot een loonsom van € 200.000 (was € 150.000). Voor starters daalt het percentage van 50%. Ook wordt het uurloon afgerond op hele euro’s. Het plafond van de afdrachtvermindering S&O daalt niet maar blijft € 14 miljoen. Ten slotte verdwijnt de zogeheten margeregeling. Te hoge inschattingen vooraf van het aantal S&O-uren moeten altijd gemeld worden en gecorrigeerd (ook al bedragen deze 10% of minder).

AOW- en Pensioenrichtleeftijd
Al voor de zomervakantie is de Wet Verhoging AOW- en Pensioenrichtleeftijd aangenomen. Zo wordt de AOW-leeftijd op 1 januari 2013 met een maand verhoogd. In de jaren daarna wordt de pensioengerechtigde leeftijd in stapjes verder verhoogd, totdat die in 2019 66 jaar is en vervolgens in 2023 67 jaar. Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting.

In dit kader moeten veel andere wetten worden aangepast, waaronder de belastingwetten. Daarom worden nu de uiterste ingangsdata voor pensioenen, levensloop, lijfrenten en vitaliteitssparen aangepast. Daarnaast wijzigt ook het tijdstip waarop de oudedagsreserve afneemt, het uiterste tijdstip waarop aanspraak kan worden gemaakt op de zelfstandigenaftrek en startersaftrek, de middelingsregeling, het moment van omzetten van stakingswinst in een lijfrente, de ouderentoeslag in box 3, de ouderenkorting en de regeling inzake uitgaven voor specifieke zorgkosten.

Tevens wordt het mogelijk (tot en met maart 2015), dat de pensioendatum kan worden uitgesteld tot het moment dat de AOW ingaat, zonder dat in de uitstelperiode van het pensioen moet worden doorgewerkt.

Arbeidsmigratie
Het kabinet vindt het onacceptabel om arbeidsmigranten van buiten de EU naar Nederland te halen voor werk dat ook gedaan kan worden door Nederlanders met een uitkering of mensen uit de Europese Unie (tot januari 2014 nog met uitzondering van Bulgarije en Roemenië). De regels voor het verlenen van tewerkstellingsvergunningen worden daarom aangescherpt. Als mensen in Nederland of een ander EU land beschikbaar zijn voor de vacature dan wordt geen vergunningen afgegeven aan de werkgever om mensen van buiten de EU aan de slag te laten gaan.

Auto (belasting)
De vermindering van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voor gebruikte motorrijtuigen wordt naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012 voortaan weer uitgedrukt in een percentage van de som van de catalogusprijs (de geadviseerde verkoopprijs) en de BPM.

De minimale schorsingstermijn waarbij geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen wordt verkort van drie maanden tot een maand.

Auto van de zaak
Er komt een overgangsregeling voor de auto van de zaak. Voor de personen- en bestelauto’s die door het aanmerken van de woon-werkkilometers (zie onder alinea Woon-werkverkeer) als privékilometers onder de bijtelling gaan vallen geldt een overgangsregime. Dat houdt in dat voor deze auto’s waarvoor vóór 25 mei 2012 een leasecontract is aangegaan, de bijtelling gedurende de looptijd van dat leasecontract, maar uiterlijk tot 1 januari 2017, wordt beperkt tot 25% van de zonder dit overgangsrecht verschuldigde bijtelling van 25%, 20% dan wel 14%, mits uiteraard niet meer dan 500 kilometer privé wordt gereden (exclusief woon-werkverkeer).

Voor de bestelauto waarvoor voor 25 mei 2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik is afgegeven, geldt dit overgangsrecht alleen ingeval naast de zakelijke kilometers en de woon-werkverkeerkilometers geen privékilometers worden gemaakt. Indien dat wel het geval is wordt alsnog de volledige bijtelling van toepassing.

Belastingbetaling uitgesteld
Om mkb-bedrijven, die moeite hebben met het betalen van belastingen, tegemoet te komen, zullen bedrijven uitstel van betaling kunnen krijgen voor de BTW, loonbelasting en vennootschapsbelasting. Over de uitstelperiode van (maximaal) vier maanden moet wel wettelijke rente worden betaald. 

Boete bij te late aangifte
Een verzuimboete voor een aangifteverzuim bij aanslagbelastingen (zoals inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting) kan eerder worden opgelegd dan de aanslag. Daarbij kan worden aangekondigd dat de verzuimboete wordt gematigd als alsnog binnen een gestelde termijn aangifte wordt gedaan. De verzuimboete wordt uiterlijk bij de aanslag opgelegd.

Belastingen op personenauto's en motorrijwielen (BPM)
De vermindering van de BPM voor gebruikte motorrijtuigen wordt per 1 januari 2013 weer uitgedrukt in een percentage van de som van de catalogusprijs (de geadviseerde verkoopprijs) en de BPM, in plaats van op basis van de in 2010 geïntroduceerde inkoopwaarde in nieuwe staat. Hierdoor zal het bedrag aan BPM lager zijn.

BTW-verhoging
De verhoging Belasting Toegevoegde Waarde (BTW) gaat al per 1 oktober 2012 van 19 naar 21 procent. Voorwaarde is dat zowel de Tweede als de Eerste kamer akkoord gaan met de btw-verhoging en het voorstel voor de invoeringsdatum van de btw-verhoging.

De btw-verhoging van 19% naar 21% betekent voor de consument een verlies in koopkracht. Per huishouden zal de btw-verhoging in 2013 gemiddeld 15 euro per maand kosten. Volgens berekeningen die de coalitiepartijen hanteren, levert de btw-verhoging de staatskas circa 4 miljard euro op in 2013. De btw-verhoging wordt vanaf 2013 'in toenemende mate gecompenseerd door een lagere inkomstenbelasting (?)

E-dienstverlening
Het UWV kan door digitale dienstverlening werkgevers en werkzoekenden in de toekomst voldoende blijven ondersteunen. Om werkzoekenden meer tijd te geven en te wennen aan digitale dienstverlening heeft het kabinet €30 miljoen aan UWV beschikbaar gesteld. Vanaf 2013 hebben UWV en gemeenten in alle 35 arbeidsmarktregio’s een gezamenlijk aanspreekpunt voor werkgevers. Het aantal vestigingen van UWV wordt de komende jaren teruggebracht van 98 naar 30.

Fraude
Bedrijven die bij herhaling frauderen (bijvoorbeeld met premies) kunnen maximaal drie maanden worden stilgelegd. Uitvoerders van de sociale zekerheid krijgen nieuwe mogelijkheden om fraude aan te pakken en kunnen efficiënter gebruik gaan maken van gegevens die bij de overheid beschikbaar zijn.

Heffingskortingen
• Algemene heffingskorting wordt € 2001 (2012: € 2033). Voor 65+: € 1034 (2012: € 934).
• Arbeidskorting wordt maximaal € 1723 (2012: € 1611). Daarnaast wordt de arbeidskorting sneller afgebouwd, vanaf een inkomen van € 40.248. Het percentage van de afbouw stijgt van 1,25% naar 4%. De maximale afbouw gaat van € 78 naar € 1173.
• Aanvullende combinatiekorting wordt € 1024 (2012: € 1024).
• Inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting wordt € 1109 (2012: € 1109).
• Alleenstaande-ouderkorting wordt € 947 (2012: € 947).
• Ouderenkorting wordt € 1032 (2012: € 762). De ouderenkorting boven inkomensgrens is voor 2013 € 150.
• Alleenstaande ouderenkorting wordt € 429 (2012: € 429).

Ieder jaar worden de heffingskortingen voor de inkomsten- en loonbelasting aangepast aan de inflatie. In 2013 wordt de hoogte van de heffingskortingen ook beïnvloed door de invoering van het uniforme loonbegrip (ULB) op 1 januari 2013.

Hoge lonen
Er komt een eenmalige werkgeversheffing voor lonen hoger dan 150 000 euro.

Hypotheek
Gaat een persoon in 2013 een nieuwe hypotheek afsluiten, dan krijgt hij alleen nog hypotheekrenteaftrek als hij de lening ook daadwerkelijk gaat aflossen.

Kinderopvangtoeslag
Mensen met een gezamenlijk inkomen vanaf €118.000 ontvangen vanaf 2013 geen kinderopvangtoeslag meer voor hun eerste kind. Ook komt er voor iedereen een verlaging van de toeslag voor het eerste kind. Het kabinet neemt deze maatregelen omdat de overheidsuitgaven voor kinderopvang sinds 2005 zijn verdrievoudigd.

Koopkracht
De gemiddelde koopkracht daalt in 2013 met 0,75 procent. Dat is het vierde jaar op rij: in de periode 2010 tot en met 2013 daalt hij met 4 procent. Dit jaar gaat de koopkracht met 1,75 procent omlaag.

De daling wordt vooral veroorzaakt door hogere zorg- en pensioenpremies, hogere btw en hogere accijnzen op alcohol en tabak. Het kabinet gaat ervan uit dat de basispremie in de zorg met 20 euro stijgt. Het eigen risico stijgt van 220 naar 350 euro per jaar.

Langer doorwerken
Het wordt vanaf 2013 makkelijker voor AOW’ers om vrijwillig langer door te werken. Gepensioneerden kunnen makkelijker blijven werken en voor werkgevers wordt het aantrekkelijker om AOW‘ers in dienst te nemen. Zo hoeft het loon bij ziekte maar zes weken in plaats van twee jaar doorbetaald te worden en zijn de re-integratieverplichtingen voor werkgevers beperkt. Ook mag een baas een werknemer die de pensioenleeftijd al heeft bereikt opeenvolgende contracten aanbieden zonder dat dit tot een vaste arbeidsovereenkomst leidt. Verder wordt de opzegtermijn voor een AOW’er verkort. Een werkgever hoeft nu nog geen wettelijk minimumloon te betalen voor een AOW’er. Vanaf 2013 moet dat wel, om verdringing van jongere werknemers te voorkomen.

Loon- en inkomstenbelasting
In 2013 blijven de bedragen waaruit de premie volksverzekeringen is opgebouwd onveranderd ten opzichte van 2012. De belastingschijven voor de loon- en inkomstenbelasting gaan wel op de schop. Er is in het Belastingplan een verhoging van de eerste schijf gepland met 1,1 procentpunt. Vanwege de invoering van de Wet uniformering loonbegrip per 2013 zou de eerste schijf al 2,8 procentpunt stijgen. In totaal levert dat een stijging op van 1,95% naar 5,85%. Daardoor wordt het tarief in deze schijf ook hoger, namelijk 37% waar het in 2012 nog 33,1% is/was.

In 2013 blijven de bedragen waaruit de premie volksverzekeringen is opgebouwd onveranderd ten opzichte van 2012.

Het tarief komt er als volgt uit te zien (tussen haakjes cijfers 2012)
 
Schaal 1  - € 19.645 (18.945) 37% (33,1%)
Schaal 2 € 19.645 (18.945) € 33.363 (33.863) 42% (41,95%)
Schaal 3 € 33.363 (33.863)  € 55.991 (56.491) 42% (42%)
Schaal 4 € 55.991 (56.491) - 52% (52%)

Er vindt – zoals al in het Begrotingsakkoord was afgesproken – voor 2013 geen inflatiecorrectie plaats,

Mensen met een beperking
De grote uitdaging voor alle betrokkenen (waaronder werkgevers) is om de komende periode meer mensen die beschut werken of in een uitkering zitten, volwaardig mee te laten draaien in een gewone baan. De dienstverlening aan werkgevers wordt door UWV en gemeenten beter georganiseerd. Sociale diensten worden via het programma ‘Impuls Vakmanschap’ gestimuleerd om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt effectief aan de slag te helpen.

Onderwijs
Voor onderwijs trekt het kabinet in het Begrotingsakkoord 2013 extra budget uit. Het gaat om 0,1 miljard euro in 2013, wat oploopt naar 0,4 miljard euro structureel. Wat budgettair het meest in het oog springt, is dat het kabinet de bezuiniging op passend onderwijs terugdraait, net als de prestatiebeloning voor leraren.

Later dan 2013 zullen aankomende studenten waarschijnlijk meer gaan bijdragen aan hun eigen studie. Nieuwe studenten krijgen dan een beurs in de vorm van een lening.

Ontslagrecht
Aanpassing van ontslag/WW is nodig, temeer daar de arbeidsmobiliteit van met name oudere werknemers laag is. Oudere werknemers zitten nu vaak gevangen in hun huidige baan, omdat ze bij doorstroming naar nieuw werk zekerheden, zoals een hoge ontslagvergoeding, kwijtraken. Meer mobiliteit op de arbeidsmarkt zorgt ervoor dat werknemers beter op hun plek terechtkomen. Het kabinet wil daarom het ontslagrecht veranderen. Dit moet leiden tot meer mobiliteit, minder tweedeling tussen tijdelijke en vaste contracten en meer scholing. Dit leidt uiteindelijk tot een hogere arbeidsproductiviteit waarmee de economische positie van Nederland wordt versterkt.

Overheid
Voor de lonen in de collectieve sector (exclusief de zorgsector) handhaaft de overheid voor 2012 en 2013 een nullijn.

Pensioenen
Vanaf 2014 wordt de fiscale ruimte voor pensioenopbouw ingeperkt (het Witteveenkader). Dit wordt gerealiseerd door vanaf 2014 in het Witteveenkader uit te gaan van een pensioenleeftijd van 67 jaar en de maximale jaarlijkse pensioenopbouw met 0,1 procent te verlagen.

Vallen de beleggingsresultaten van het pensioen-bv tegen dan kan de directeur-grootaandeelhouder (dga) straks mogelijk zonder fiscale gevolgen zijn pensioen in eigen beheer korten. Dit heeft staatssecretaris Weekers van Financiën aangegeven in een brief over de vermindering van de pensioenaanspraken van particuliere pensioen-bv’s.

Reiskosten
Overeenkomstig de voorstellen uit het Lenteakkoord zijn de volgende wetswijzigingen in het Belastingpakket 2013 opgenomen:
• de onbelaste vergoeding voor woon-werkverkeer van € 0,19 per kilometer komt te vervallen. Dit geldt ongeacht de wijze waarop wordt gereisd;
• woon­-werkkilometers worden ook voor ter beschikking gestelde auto’s als privé aangemerkt. Woon­-werkverkeer telt dus mee voor het bepalen van de 500­km grens (zie ook alinea Woon-werkverkeer);
• de mogelijkheid om onbelaste vergoedingen te geven voor zakelijke reizen blijft gehandhaafd;
• het overgangsrecht voor auto’s van de zaak blijft gehandhaafd. Dat houdt in dat voor deze auto’s waarvoor vóór 25 mei 2012 een leasecontract is aangegaan, de bijtelling gedurende de looptijd van dat leasecontract maar uiterlijk tot 1 januari 2017 wordt beperkt tot 25% van de zonder dit overgangsrecht verschuldigde bijtelling van 25%, 20% dan wel 14%. Deze verlaagde bijtelling geldt alleen als het aantal overige privékilometers, zijnde de andere privékilometers dan de kilometers die in het kader van het woon­-werkverkeer met de auto worden gemaakt, beperkt blijft tot maximaal 500 kilometer op jaarbasis. Dit moet desgevraagd kunnen worden aangetoond, bijvoorbeeld door middel van een kilometerregistratie;
• het overgangsrecht voor OV­-abonnementen die door de werkgever aan de werknemer zijn verstrekt, al dan niet uitsluitend ten behoeve van het woon-werkverkeer van de werknemer, blijft gehandhaafd. Ook hier betreft het OV­-kaarten die vóór 25 mei 2012 zijn verstrekt en waarvan de looptijd doorloopt na 1 januari 2013. Voor deze kaarten blijven de huidige regels gelden totdat de looptijd van de kaart is verstreken.

De invoering van voornoemde maatregelen is in principe per 1 januari 2013.

NB: Per 1 januari 2014 zou de gerichte vrijstelling voor zakelijk reizen komen te vervallen en zou de forfaitaire ruimte in de werkkostenregeling met 0,5%­ punt worden verhoogd. Deze maatregel is nog niet opgenomen in het Belastingpakket 2013, maar wordt bij de maatregelen naar aanleiding van de evaluatie van de werkkostenregeling in de besluitvorming meegenomen.

Scholingskosten
De (persoonsgebonden) aftrekpost voor scholingsuitgaven wordt op vier punten vereenvoudigd:
• De aftrek wordt beperkt tot de verplicht gestelde en noodzakelijke kosten van de opleiding of studie, die limitatief worden opgesomd (bijvoorbeeld: lesgeld, cursusgeld, examengeld, collegegeld, of promotiekosten en door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen).
• Belastingplichtigen met recht op studiefinanciering krijgen recht op aftrek van de (limitatief opgesomde) werkelijk gemaakte kosten.
• Voor belastingplichtigen voor wie de prestatiebeurs achteraf niet in een gift wordt omgezet (diploma niet op tijd gehaald) wordt de aftrek vereenvoudigd, in die zin dat zij alsnog recht op aftrek van een forfaitair bedrag krijgen.
• De 'standaardstudieperiode' (in deze periode geldt niet de maximumaftrek van € 15.000) wordt beter uitvoerbaar gemaakt door de periode aaneengesloten te maken.

Uniformering loonbegrip
Om een uniforme heffingsgrondslag te bereiken, wordt de franchise voor de premie WW-Awf afgeschaft. Dat houdt in dat een onderneming over de eerste euro loon van werknemers premie gaat betalen. Het premiepercentage daalt dan waarschijnlijk wel naar 2,05%.

Verkoop bedrijfspanden
In de huidige vastgoedmarkt is het vaak lastig om een bedrijfspand op te kopen en het pand daarna te verkopen binnen 6 maanden om daardoor dubbele overdrachtsbelasting te voorkomen. Om hieraan tegemoet te komen wordt voorgesteld de termijn voor het claimen van een vermindering van overdrachtsbelasting bij doorverkoop van een bedrijfspand verlengd van 6 naar 36 maanden. Deze verruiming zal ook gaan gelden voor woningen.

Vitaliteitssparen
Vanaf 1 januari 2013 kunnen alle werkenden gebruik maken van vitaliteitssparen. Daarmee kunnen ze fiscaal voordelig sparen voor bijvoorbeeld scholing, verlof voor (mantel)zorgtaken of deeltijdpensioen. Deelnemers mogen tot € 20.000 fiscaal gefaciliteerd sparen. Ze mogen maximaal € 5.000 per jaar inleggen. Er wordt ingelegd van het netto loon, maar de inleg is aftrekbaar in box 1. Opname van het tegoed is belast. De regeling is bestedingsvrij; deelnemers mogen het geld naar eigen inzicht opnemen. Aan opname is een maximum van € 20.000 per jaar verbonden en vanaf het jaar waarop een deelnemer op 1 januari 62 jaar oud is, geldt een maximum opnamebedrag van € 10.000 per jaar. Hierdoor is vervroegd uittreden effectief niet meer mogelijk, maar het spaargeld kan bijvoorbeeld wel gebruikt worden als inkomensaanvulling bij deeltijdpensioen.

Werkbonus en doorwerkbonus
Zowel de werkbonus werknemers als de werkbonus werkgevers (de voormalige premiekorting voor het in dienst houden van 62+werknemers), komen te vervallen. Per 2013 wordt de doorwerkbonus afgeschaft. Werkenden van 62 jaar en ouder ontvangen deze bovenop de reguliere arbeidskorting.

Werkkostenregeling
Het algemeen belastingvrije forfait van de werkkostenregeling stijgt in 2013 van 1,4% tot 1,6% van de loonsom.

Wet werken naar vermogen
Het wetsvoorstel voor de Wet werken naar vermogen (WWNV) is definitief van de baan. Dit staat in de Voorjaarsnota 2012 die is opgesteld naar aanleiding van het tot stand gekomen Lenteakkoord. Het doel van deze wet was om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om werknemers met een beperking in dienst te nemen.

Met het intrekken van het wetsvoorstel voor de WWNV vervalt voor de werkgever een argument om meer arbeidsgehandicapten in te zetten. Niettemin verwacht de wetgever van de OR dat u de inschakeling van gehandicapte werknemers bevordert.

Woon-werkverkeer
Het wetsvoorstel is om vanaf 2013 de vergoedingen voor het woon-werkverkeer te belasten. De woon-werkverkeerkilometers tellen vanaf 2013 ook mee als privé gereden kilometers voor de auto van de zaak.

De definitie van woon-werkverkeer wordt aangepast. Er wordt in beginsel uitgegaan van wat partijen onderling zijn overeengekomen over de plaats waar de werkzaamheden zullen worden verricht. Algemeen geldt dat als er minder dan een jaar naar een bepaalde arbeidsplaats wordt gereisd er geen sprake is van een vaste arbeidsplaats (en dus ook geen woon-werkverkeer). Als een dergelijke overeenkomst niet is gesloten, dan geldt dat alle reizen (heen en/of terug) van de woon­- of verblijfplaats naar een bedrijfsadres zich als woon­-werkverkeer kwalificeren.
Als er sprake is van verschillende werkplaatsen die regelmatig worden gebruikt of een werkplaats thuis, worden deze werkplekken als vaste werkplaats aangemerkt. Als criterium wordt gehanteerd dat de werknemer in belangrijke mate werkzaamheden verricht op beide adressen.

Het voornoemde is op een (ambulante) werknemer en ondernemers (waaronder ook begrepen de zzp’er) niet van toepassing. Alleen de reizen van de ondernemer
tussen zijn woning of verblijfplaats naar zijn eigen bedrijfsadres wordt als woon­-werkverkeer aangemerkt. Voorwaarde is dat de werkzaamheden op de specifieke werkplaats langer dan een jaar duren.

Voor openbaar vervoerkaarten die voor 25 mei 2012 zijn aangeschaft geldt overgangsrecht. Deze blijven vooralsnog onbelast te vergoeden (of te verstrekken).

In het verlengde van het vervallen van de mogelijkheid om € 0,19 per kilometer onbelast te betalen voor woon­-werkverkeer, is komt de salderingsregeling te
vervallen.

In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen om te voorkomen dat de maatregelen met betrekking tot de fiscale behandeling van woon-werkverkeer worden ontweken. Als bijvoorbeeld in de periode 18 september t/m 31 december 2012 een woon-werkkostenvergoeding wordt verstrekt die in 2013 of later plaatsvindt, zullen deze vergoedingen geacht worden te zijn genoten in het loontijdvak waarin het woon­-werkverkeer plaatsvindt.

Ziektewet
Het wetsvoorstel om de Ziektewet te moderniseren werd begin juli door de Tweede Kamer aangenomen. Het is nog onzeker of ook de Eerste Kamer met het voorstel instemt.

De voorstellen houden in dat flexwerkers die tot 35 procent worden afgekeurd hun uitkering verliezen. Verder zal de termijn waarop flexwerkers een uitkering ontvangen gebaseerd op het laatstverdiende loon worden bepaald door het aantal gewerkte jaren. Daarna volgt een veel lagere uitkering, gebaseerd op het minimumloon. Nu krijgen flexwerkers nog twee jaar een uitkering, net als medewerkers met een vast dienstverband.

Zorgkosten
Iedereen zal in 2013 meer voor de zorgkosten moeten gaan betalen. Het eigen risico voor de zorgverzekering stijgt in 2013 naar € 350 per persoon. Dit bedrag komt bovenop de maandelijkse premie voor de basisverzekering. Ter compensatie gaat de zorgtoeslag voor mensen met lage inkomens wel omhoog.

In het basispakket gaat het een en andere veranderen, onder meer:
• Volwassenen gaan bij een verblijf in een instelling voor medisch-specialistische zorg een eigen bijdrage van 7,50 euro per nacht betalen.
• De aanspraak en vergoeding van hoortoestellen wordt anders vormgegeven.
• De tarieven voor kaakchirurgie worden vanaf 2014 aangepast.
• De rollator en overige eenvoudige loophulpmiddelen zijn vanaf 2013 geen onderdeel meer van het basispakket.
• Ondersteuning bij het stoppen met roken en dieetadvisering vormen daarentegen vanaf 2013 juist wel weer onderdeel van het basispakket.

Uitgaven die niet langer onder de verzekerde zorg vallen, worden niet aftrekbaar binnen de aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten. Meer algemeen heeft het kabinet de wens om de aftrekpost voor specifieke zorgkosten meer te laten aansluiten op het basispakket van de zorgverzekering. Naar de mening van het kabinet moet namelijk voorkomen worden dat zorguitgaven die niet langer worden vergoed binnen het basispakket, aftrekbaar worden binnen de fiscaliteit.

Voor wat betreft de langdurige zorg is in het Begrotingsakkoord opgenomen dat nieuwe cliënten met een lichte zorgvraag geen aanspraak meer kunnen maken op intramurale zorg. Verder ontvangen instellingen vanaf 2013 een lagere vergoeding voor vervoerskosten en wordt de vermogens-inkomensbijtelling in de AWBZ en Wmo verhoogd.

De inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekeringswet wordt voortaan direct door de werkgever afgedragen aan het Zorgverzekeringsfonds. Deze bijdrage wordt daardoor niet meer op de loonstrook vermeld.




 Begrotingsakkoord 2013 (juni 2012)    Belastingplan 2014 (september 2013)