Partnertoeslag    Voorschotregeling AOW 


Pensioenakkoord

Datum laatste wijziging: 1 november 2018  |  Trefwoorden: Algemene Ouderdomswet, AOW, Pensioenakkoord, AOW-leeftijd

Inhoud

  1. Akkoord verhoging AOW-leeftijd 2010
  2. Problemen
  3. Pensioenakkoord sociale partners juni 2011
  4. Tegemoetkomingen
  5. Tegengestelde meningen
  6. Akkoord over pensioen zware beroepen
  7. Eerste Kamer stemt in met Pensioenakkoord
  8. AOW-wet leidt tot ruim half miljoen minder AOW-ers in 2025
  9. Beperking aftrek pensioenopbouw stimuleert economie
  10. Grote zorgen over tempo aanpassing pensioenregelingen
  11. Ingangsdata AOW en pensioenrichtleeftijd verhoogd
  12. Kabinet haalt AOW-taboe van tafel: pensioenleeftijd kan minder snel stijgen
  13. AOW-leeftijd in 2024 niet omhoog 

Akkoord verhoging AOW-leeftijd 2010

Werkgevers-, werknemersorganisaties en het kabinet praten sinds 2010 over een nieuw pensioenstelsel. In het voorjaar 2010 werd een akkoord bereikt over geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. Kern van het akkoord was dat in 2011 zowel de AOW- als de pensioenleeftijd stijgt naar 66 jaar. In 2025 wordt het waarschijnlijk 67 jaar. De leeftijd stijgt mee met de levensverwachting en iedere vijf jaar wordt bekeken of hij verder moet verschuiven. Mensen kunnen er volgens het akkoord nog steeds voor kiezen om op hun 65e met pensioen te gaan, maar dan leveren zij wel 6,5 procent AOW in. Volgens het akkoord stijgt de AOW wel meer mee met de lonen dan nu. In hoeverre dat gebeurt, is nog niet duidelijk.

Bij de uitwerking begonnen de problemen:

Problemen

Aan het voorstel de huidige pensioenrechten over te hevelen kleven grote juridische haken en ogen. De vraag is of de pensioenrechten kunnen worden gewijzigd van harde nominale aanspraken en pensioenuitkeringen in zachte aanspraken en uitkeringen. Dat moet mensen nog steeds grote zekerheden over hun pensioen bieden, al is dat minder dan nu. Het wijzigen van bestaande rechten zou kunnen leiden tot succesvolle claims van belanghebbenden op grond de niet te vervreemden eigendomsrechten als vastgelegd in het EU-Verdrag. Het probleem is dat de oude en de nieuwe pensioenrechten in één pensioensysteem bij elkaar moeten worden gehouden. Dat is noodzakelijk om te voorkomen dat de oude rechten (opgebouwd tot het moment van wijziging van het pensioenstelsel) langzaam hun waarde verliezen. Een heel nieuw pensioensysteem waarin de oude rechten niet kunnen worden ondergebracht, blijkt volgens een schrijven van vakbonden geen optie.

Een andere oplossing kan zijn voor de oude rechten hogere zekerheden gaan gelden, waardoor deze rechten niet snel meer zullen worden verhoogd met indexatie. Dit zou dan voor deelnemers er toe moeten leiden dat de oude rechten vrijwillig gaan worden overgeheveld naar het nieuwe pensioencontract.

Pensioenakkoord sociale partners juni 2011

Op 10 juni 2011 bereikten de sociale partners en het kabinet in de Stichting van de Arbeid een pensioenakkoord. Kort samengevat houdt het akkoord het volgende in:
  • verhoging AOW-leeftijd: deze wordt elke vijf jaar aangepast aan de toename van de levensverwachting. De gemiddelde levensverwachting op 65 jaar van 2000-2009 wordt hiervoor als referentieperiode gebruikt. Als gevolg hiervan zal de AOW-leeftijd in 2020 stijgen naar 66 jaar. Als de levensverwachting verder stijgt ten opzichte van de referentieperiode, dan zal ook weer de AOW-leeftijd stijgen, in 2025 waarschijnlijk naar 67 jaar. Het in te dienen wetsvoorstel, dat op het pensioenakkoord zal volgen, bevat alleen de verhoging van de pensioenleeftijd naar 66 jaar. Dit zal dus moeten worden aangepast. Voor verhogingen naar 67 jaar of nog hoger, zullen dus nieuwe wetsvoorstellen nodig zijn;
  • eerder of later met pensioen: het is mogelijk om tegen een kortingspercentage eerder met pensioen te gaan dan de gestelde AOW-leeftijd. Ook is het mogelijk om langer door te weken. Bij eerder stoppen met werken geldt een korting van 6,5%, bij langer doorwerken een opslag van 6,5%. Een half jaar eerder of later ingaan van het AOW-pensioen is ook mogelijk en leidt tot een korting of verhoging van 3,25%. Eerdere opname van de AOW is niet mogelijk als de AOW plus het aanvullend pensioen nog recht geeft op bijstand gedurende de (vervroegde) pensioenperiode;
  • risico's eerder of later met pensioen: voor het eerder laten ingaan van AOW-pensioen geldt als voorwaarde dat daardoor geen recht zal ontstaan op een bijstandsvoorziening. Aan het uitstellen van het AOW-pensioen zit het risico dat de nabestaande van degene die het AOW-pensioen geheel heeft uitgesteld, zonder dat een verzoek tot betaling van het AOW-pensioen is ingediend, geen recht heeft op een overlijdensuitkering;
  • AOW-uitkering: vanaf 2013 gaat de AOW-uitkering niet alleen omhoog met de indexatie van de lonen, de AOW-uitkering zal extra stijgen met jaarlijks 0,6 procent, dat is bij het huidige AOW-bedrag van € 710, € 4,26 per maand bruto. Dat moet ook mensen met een laag inkomen in staat stellen ervoor te kiezen eerder met pensioen te gaan;
  • ouderenkorting: de financiering van de extra verhoging van het AOW-pensioen met 0,6% in de periode 2013 tot en met 2028 wordt gevonden in de afbouw van de ouderenkorting. De afbouw van de ouderenkorting loopt van 2020 tot en met 2028 en bedraagt € 71 per jaar (in prijzen 2011). Verder komt vanaf 2020 een nieuwe inkomensafhankelijke ouderenkorting specifiek gericht op lage inkomens. Deze heffingskorting bedraagt € 300 en wordt vanaf een inkomen van € 18.000 geleidelijk afgebouwd met 5% van het inkomen tot op nihil bij € 24.000. De alleenstaande-ouderkorting1 blijft wel volledig intact;
  • AOW-toeslag: waarschijnlijk vanaf 1 augustus 2011 wordt de AOW-toeslag die een 65-plusser voor de jongere weinig of niet verdienende partner kan aanvragen lager als het gezamenlijke inkomen meer is dan € 30.000 bruto per jaar. De korting bedraagt 10 procent, ofwel ongeveer € 70 bruto per maand. Per 2015 vervalt de AOW-toeslag voor alle partners waarvan de oudste na 2015 65 jaar wordt (dit laatste was al eerder bij wet geregeld):
  • de verlengde WW-uitkering voor oudere werklozen (IOW) blijft tot 2020 open als een bruggetje naar hun pensioen, omdat de kansen voor oudere werkzoekenden op de arbeidsmarkt nog altijd klein zijn;
  • verhoging pensioenrichtleeftijd: in de fiscale regelgeving voor pensioenen wordt de pensioenrichtleeftijd aangepast. Deze richtleeftijd staat op dit moment op 65 jaar en wordt in 2013 verhoogd naar 66 jaar, in 2015 verder verhoogd naar 67 jaar en ten slotte wordt deze richtleeftijd op vergelijkbare wijze als de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting;
  • opbouwruimte lijfrente: in lijn met de aanpassingen voor werknemerspensioen (tweede pijler), wordt ook de opbouwruimte in de derde pijler (lijfrenten) aangepast. Voor werknemers gaat het daarbij om de extra lijfrentepremieaftrek wegens pensioentekort. In verband daarmee wordt in de eerste plaats het maximale premiepercentage voor pensioenopbouw in de derde pijler verlaagd. In 2013 wordt dit percentage verlaagd van 17% naar 16,5% en in 2015 van 16,5% naar 16%. Vervolgens wordt dit premiepercentage steeds met 0,5%-punt verlaagd voor ieder jaar dat de pensioenrichtleeftijd met een jaar wordt opgehoogd. Naast de aanpassing van het maximumpremiepercentage zal bij de derde pijler ook rekening worden gehouden met het bedrag waarmee de AOW in de periode van 2013 tot en met 2028 wordt verhoogd;
  • fiscale oudedagsreserve: voor zelfstandigen (ZZP-ers) komt een beperking in de opbouw van de oudedagsvoorziening, de fiscale oudedagsreserve. Naast de inperking van de premieruimte in de derde pijler vindt een verlaging van het maximale dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve plaats. Het maximale dotatiepercentage gaat in 2013 omlaag van 12% naar 11,7% en in 2015 van 11,7% naar 11,4%. Daarnaast gaat het maximumdotatiepercentage met 0,3%-punt omlaag in ieder jaar dat de fiscale pensioenrichtleeftijd met een jaar wordt verhoogd;
  • behoud oudere werknemers: in CAO’s worden concrete afspraken gemaakt over duurzame participatie en inzetbaarheid van (oudere) werknemers. Het wordt daardoor voor oudere werknemers makkelijker gemaakt om door te werken;
  • vernieuwing pensioencontracten: deze contracten worden vernieuwd, mede op basis van nadere onderzoeken naar het omgaan met reeds opgebouwde rechten en de ontwikkelingen in EU-verband;
  • het financieel toetsingskader voor bestaande en nieuwe pensioencontracten (o.a. de buffereisen) zal worden verbeterd en uitgebreid;
  • het fiscale Witteveenkader (dat normen geeft voor een fiscaal zuiver pensioen) wordt aangepast, zie alinea Fiscaal maximum lager;
  • er komt een mobiliteitsbonus om daarmee de mobiliteit binnen ondernemingen maar ook daarbuiten of zelfs sector-overstijgende mobiliteit van werknemers te bevorderen. Het streven is om in 2012 de eerste stap te zetten.
  • de bedoeling is dat de klassieke indexering vervangen wordt door een methodiek, die gekoppeld wordt aan de AEX. Zie ook subrubriek Indexatie (pensioenen).
1Alleen het recht om de alleenstaande AOW te ontvangen, is al genoeg om ook de alleenstaande ouderenkorting te kunnen krijgen. Daarmee bedoelt de Belastingdienst dat je de alleenstaande AOW niet eens hoeft aan te vragen, om toch deze ouderenkorting te krijgen. Dat is een belangrijk detail, want dan ben je niet verplicht om de alleenstaande AOW  te kiezen. Dat is niet voor ieder paar gunstig. (Bron en meer: Plusonline, 14 apr. 2017)

Tegemoetkomingen

  • In vervolg op de doorrekening van het pensioenakkoord door het CPB is eind juni 2011 besloten dat mensen - die vanaf 2020 op hun 65e met pensioen willen gaan en door de te betalen AOW-premie te maken krijgen met een koopkrachtdaling - in het begin iets meer AOW krijgen en in de jaren erna wat minder. De verhoging compenseert de te betalen AOW-premie.
  • Om de bonden een handreiking te doen en de Tweede Kamer te overtuigen, kondigde de minister eind juni 2011 in een brief aan de Tweede Kamer de volgende wijzigingen aan ten opzichte van het akkoord dat de sociale partners in juni sloten:
    • Wijziging van de pensioenpremies kan alleen na onderhandelingen tussen cao-partijen binnen het arbeidsvoorwaardenoverleg. Het is dus niet meer aan de pensioenfondsbesturen om hierover te besluiten. Hierdoor blijven de pensioenpremies stabieler en hebben werknemers meer zekerheid over hun pensioen¹.
    • Ook werknemers met lage inkomens of zware beroepen moeten financieel in staat worden gesteld om eerder te stoppen met werken. Om dit te bereiken, stelt de minister een aantal maatregelen voor:
    • Werknemers die na hun 61e doorwerken, ontvangen een werkbonus van maximaal € 2.350 per jaar. Mensen met een lager inkomen krijgen een hogere bonus dan mensen met een hoger inkomen. Op deze manier kunnen werknemers met een lager inkomen sparen voor vroegpensioen.
    • De levensloopregeling blijft vanaf 2012 open voor werknemers die aan het einde van het jaar ten minste € 3.000 op hun levenslooprekening hebben staan.
  • In tegenstelling tot wat in het Regeerakkoord was afgesproken, mogen werknemers (een deel van) het geld dat zij sparen in de nieuwe vitaliteitsregeling ook inzetten om met deeltijdpensioen te gaan of eerder te stoppen met werken.
¹ Pensioenfonds ABP gaat de premies in 2012 verhogen en beschouwt het korten van de pensioenen als 'een reële optie'. De maatregelen zijn nodig om de dekkingsgraad, die nu met 94 procent onder de norm ligt, op peil te brengen. Dat maakte het grootste pensioenfonds van Nederland bekend. De premieopslag gaat van 1 naar 3 procent. De pensioenen moeten in 2013 mogelijk met ongeveer een half procent worden verlaagd.
  • Bij de invulling van het nieuwe pensioencontract zal het kabinet erop letten dat de risico’s evenwichtig worden verdeeld over de verschillende generaties.

Tegengestelde meningen

Een grote meerderheid van de werkgevers omarmt de kern van de afspraken in het nieuwe pensioenakkoord. Het stabiel maken van de pensioenpremie, het mee-ademen van de pensioenleeftijd met de levensverwachting en het aanpassen van de pensioenuitkomst aan de ontwikkelingen op de financiële markten, wordt door de bevraagde werkgevers als positief ervaren. Men vindt het nodig om pensioenregelingen betaalbaar te houden. Dat blijkt uit een recente peiling van PwC onder 80 grote Nederlandse werkgevers.

Een kleine meerderheid van de FNV-leden heeft in september 2011 ingestemd met het pensioenakkoord, dat betekent dat de AOW-leeftijd in twee stappen omhoog gaat naar 67 jaar. De twee grootste FNV-bonden, die samen wel een meerderheid van de leden hebben, maar niet de meerderheid van de stemmen in de federatieraad, hebben zich tot het laatst verzet tegen het akkoord. Deze bonden, FNV Bondgenoten en Abvakabo, kondigden aan de komende jaren een eigen koers te gaan varen. Na deze aanpassingen is het pensioenakkoord dus nipt aanvaard door de federatieraad van FNV.

De Raad van State heeft kritiek op het wetsvoorstel van het kabinet voor de verhoging van de AOW-leeftijd. Volgens de Raad gaat de AOW-leeftijd te langzaam omhoog en zijn er vragen over de verdeling van de lusten en lasten tussen jongeren en ouderen. Bovendien staat de voorgestelde verhoging van de uitkering tot 2028 op gespannen voet met de overheidsfinanciën en is daarmee een schijnzekerheid.

Akkoord over pensioen zware beroepen

Minister Kamp (Sociale Zaken) heeft een akkoord met de PvdA over werknemers met zware beroepen die – ook als de pensioenleeftijd omhoog gaat in 2020 en 2025 – op hun 65e willen stoppen met werken.
De PvdA wil dat deze groep er qua inkomen vanaf 2020 niet al te sterk op achteruit gaat. In plaats van het definiëren van ‘zware beroepen’ heeft de minister gekozen voor een inkomensgrens. Want: ‘Tot deze groep behoren veel mensen met een lang arbeidsverleden in een laagbetaalde baan’, aldus Kamp.
De inkomensgrens ligt op 150% van het wettelijk minimumloon, momenteel rond de € 27.500 per jaar bruto. Mensen die onder deze grens verdienen kunnen straks in totaal maximaal € 17.400 sparen om op hun 65e te stoppen. Als de AOW-grens in 2020 omhoog gaat naar 66 jaar en mensen stoppen toch op hun 65e met werken, scheelt ze dat voor de rest van hun leven 6,5% AOW en in 2025, als de pensioenleeftijd naar 67 gaat, wordt dat twee maal 6,5%. Dat gat kunnen ze vrijwel geheel goedmaken uit het gespaarde bedrag. Het inkomensverlies moet beperkt blijven tot maximaal 3% bij twee jaar eerder stoppen met werken.
De kosten van de aanvullende werkbonus worden geraamd op circa € 125 mln. De dekking komt uit de regelingen van het Vitaliteitspakket (Bron: Bouwend Nederland, 6 dec 2011).

Eerste Kamer stemt in met Pensioenakkoord

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel op 10 juli 2012 aangenomen. De 1e verhoging van de AOW-leeftijd met 1 maand gaat in per 1 januari 2013.

De AOW-leeftijd gaat in stappen omhoog:
  • In 2013: met 1 maand.
  • In 2014: met 1 maand.
  • In 2015: met 1 maand.
  • In 2016 met 2 maanden.
  • In 2017 met 2 maanden.
  • In 2018 met 2 maanden.
  • In 2019 met 3 maanden en daarmee naar 66 jaar.
  • In 2023: naar 67 jaar.
  • Vanaf 2024: gekoppeld aan levensverwachting*

* Als de startleeftijd omhoog gaat, wordt dat vijf jaar tevoren aangekondigd.

Op de site van de Overheid kan een ieder nagaan wanneer hij AOW krijgt.

Ongeveer 80.000 ouderen die nu met VUT of prepensioen zijn, hebben in de komende jaren één tot drie maanden geen inkomen. Door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd krijgen zij te maken met een inkomensgat omdat zij niet langer zullen kunnen doorwerken. Minister Kamp schat dat maximaal 5.000 mensen onvoldoende spaargeld hebben om het inkomensgat te overbruggen. Zij kunnen een voorschot op de AOW aanvragen, in het uiterste geval kan deze categorie een beroep op de bijstand doen.

AOW-wet leidt tot ruim half miljoen minder AOW-ers in 2025

In 2025 telt Nederland naar verwachting ruim 3,8 miljoen 65-plussers. Bij ongewijzigd beleid zou daarmee het aantal in Nederland woonachtige AOW-ers met 1,1 miljoen groeien ten opzichte van 1 januari 2012.

Zoals bekend wordt de AOW-gerechtigde leeftijd de komende jaren geleidelijk verhoogd van 65 jaar nu naar 67 jaar in 2023. Daarna wordt de AOW-leeftijd even snel verhoogd als de levensverwachting van 65-jarigen, in veelvouden van 3 maanden. Daarmee komt in 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd op basis van de CBS-bevolkingsprognoses naar verwachting uit op 67 jaar en 6 maanden.

Beperking aftrek pensioenopbouw stimuleert economie

De voorgenomen aanpassing van het zogenoemde Witteveenkader beperkt de fiscaal aftrekbare pensioenopbouw. Hierdoor ontstaat ruimte voor een verlaging van de pensioenpremies, die de economie een behoorlijke impuls kan geven, zo schrijft De Nederlandse Bank (DNB) in het DNBulletin.

De overheid stelt een maximum aan de aftrek van pensioenpremies via het zogenoemde Witteveenkader. In het Regeerakkoord is afgesproken dit maximum te verlagen van 2,25% per jaar nu naar 1,75% in 2015. Dit percentage geldt overigens voor middelloonregelingen. Per 2014 wordt het maximale opbouwpercentage al verlaagd naar 2,15 procent. Daarnaast zal over inkomens boven 100.000 euro niet langer fiscaal vriendelijk pensioen kunnen worden opgebouwd.

Door de beperking van het Witteveenkader valt voor circa 9 miljard aan pensioenpremies vrij. Voor zover dit bedrag niet hoeft te worden gebruikt om de pensioenpremies op kostendekkend niveau te brengen, kan het volledig worden teruggesluisd naar de werknemers. Hierdoor kan de binnenlandse economie aangejaagd worden zonder de begroting te belasten, zo meent de DNB. Een doorrekening met DELFI – het macro-economische model van DNB – toont aan dat het consumptievolume na een periode van vier jaar 2,3% hoger zou liggen, en de economie als geheel 0,6%. (Bron: Taxence, 15 mei 2013)

Grote zorgen over tempo aanpassing pensioenregelingen

Werkgeversvereniging AWVN maakt zich grote zorgen over het tempo waarin werkgevers en vakbonden (of ondernemingsraden) het eens worden over aanpassing van de pensioenregelingen. Die aanpassing is noodzakelijk omdat op 1 januari 2015 nieuwe wettelijke pensioenregels van kracht worden. Pensioenregelingen die niet tijdig zijn aangepast, verliezen allerlei fiscale voordelen.

Uit onderzoek van AWVN blijkt dat driekwart van de Nederlandse ondernemingen nog niet klaar is voor de nieuwe pensioenregels. Wel is 95 procent bezig met de gevolgen van de wijzigingen, maar de helft geeft aan dat gesprekken met vakbonden of ondernemingsraad zich nog in het beginstadium bevinden. (Bron: AWVN, 15 aug. 2014)

Ingangsdata AOW en pensioenrichtleeftijd verhoogd

De AOW-leeftijd gaat verder omhoog. In 2021 is de pensioenleeftijd nog 67 jaar, in 2022 wordt dat 67 jaar en 3 maanden. Deze verhoging raakt iedereen die geboren is na 1954. De verhoging is het gevolg van een nieuwe, hogere raming van de levensverwachting van Nederlanders, gemaakt door het CBS in 2016. Sinds 2012 schrijft de wet voor dat de AOW-leeftijd in dat geval automatisch met drie maanden stijgt. De vuistregel in de wet is dat ouderen tot hun overlijden gemiddeld achttien jaar AOW krijgen.
 
Verhoging AOW-leeftijd (aantal maanden) gecorrigeerd oktober 2016
2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
Ingangsleeftijd AOW 65 + 1 mnd 65 + 2 mnd 65 + 3 mnd 65 + 6 mnd 65 + 9 mnd 66 66 + 4 mnd 66 + 8 mnd 67 67 +
3 mnd

Als gevolg van de gestegen levensverwachting zal de pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2018 worden verhoogd van 67 naar 68 jaar. De pensioenrichtleeftijd is een rekenleeftijd die wordt gebruikt voor de berekening van de jaarlijkse maximaal toegestane fiscale pensioenopbouw.

Kabinet haalt AOW-taboe van tafel: pensioenleeftijd kan minder snel stijgen

In ruil voor modernisering van het pensioenstelsel is het kabinet bereid om de AOW-leeftijd minder snel te verhogen dan gepland. De pensioenleeftijd van 67 jaar wordt dan niet in 2021 maar waarschijnlijk pas vier jaar later bereikt. Met die tegemoetkoming ter waarde van 500 miljoen euro, hoopt het kabinet met name de vakbeweging FNV over de streep te trekken. (Bron: De Volkskrant, 26 sep. 2018)

AOW-leeftijd in 2024 niet omhoog 

De AOW-leeftijd gaat in 2024 niet omhoog. In 2024 hebben mensen recht op AOW met 67 jaar en drie maanden. Daarmee blijft de AOW-leeftijd gelijk in 2022, 2023 en 2024. Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft dit vastgesteld op basis van de jaarlijkse raming van de levensverwachting door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en een wettelijk vastgelegde formule voor de vaststelling van de AOW-leeftijd. (Bron: Min. SZW, 1 nov. 2018)
 
Verhoging AOW-leeftijd (aantal maanden) gecorrigeerd oktober 2018
2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024
Ingangsleeftijd AOW 65 + 1 mnd 65 + 2 mnd 65 + 3 mnd 65 + 6 mnd 65 + 9 mnd 66

 
66 + 4 mnd 66 + 8 mnd 67

 
67 + 3 mnd 67 +
3
mnd
67 +
3
mnd

Gerelateerde artikelen en/of partner bijdragen:
Gerelateerd nieuws en/of opinies:


 Partnertoeslag    Voorschotregeling AOW