Het is juridisch toegestaan om bestaande pensioenaanspraken in stand te laten binnen het oude systeem.
Opinie | do 23 apr 2026 | Bron: Gommer Advocaten | Auteur: Linda Evers | Trefwoorden: WTP, Invaren, IBM, Wet Toekomst Pensioenen, DB-regeling, DC-regeling, Gommer
‘Invaren’: van hysterie naar helderheid
De invoering van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) heeft zowel binnen pensioenland als daarbuiten tot veel discussie geleid. Dat is op zich niet verrassend. Pensioen raakt ons allemaal, direct of indirect. We willen immers allemaal onbezorgd van onze oude dag kunnen genieten en ons geen zorgen maken. Toch valt op dat één begrip in deze discussie voor bijzonder veel onrust zorgt: ‘invaren’. Het debat daarover krijgt soms bijna hysterische trekken, waarbij het lijkt alsof organisaties geen keuzevrijheid hebben en niet invaren automatisch tot problemen leidt. Dat beeld verdient nuancering.
Wie de wet en de systematiek daarachter zorgvuldig bekijkt, ziet namelijk dat de werkelijkheid genuanceerder is. De Wtp brengt zonder twijfel veranderingen met zich mee, maar laat tegelijkertijd ruimte voor verschillende mogelijkheden. Juist die ruimte wordt in de praktijk nog te weinig benut of zelfs over het hoofd gezien.
Het wettelijke kader van de Wtp is helder. Het pensioenstelsel verschuift van een systeem waarin de uitkering centraal staat (Defined Benefit, ofwel:
DB-regeling) naar een systeem waarin de premie centraal staat (Defined Contribution, ofwel:
DC-regeling).
De harde juridische eis is dat vanaf 1 januari 2028 geen nieuwe pensioenopbouw meer mag plaatsvinden binnen een DB-regeling. Dat is de verplichting waar organisaties niet omheen kunnen. De toekomstige pensioenopbouw zal dus binnen een
DC-regeling moeten plaatsvinden.
Geen wettelijke verplichting, maar een keuze
Wat deze verplichting níet betekent, is dat bestaande pensioenaanspraken automatisch moeten worden omgezet.
En precies daar ontstaat vaak verwarring. Invaren, het omzetten van bestaande pensioenrechten naar het nieuwe systeem, is namelijk geen wettelijke verplichting, maar een keuze.
Die keuze kan in bepaalde situaties logisch zijn, bijvoorbeeld om eenvoud en uniformiteit binnen de pensioenregeling te creëren. Maar het is zeker niet de enige optie.
Rechten bevroren
In dat geval worden deze rechten als het ware ‘bevroren’, terwijl de toekomstige opbouw plaatsvindt binnen een nieuwe
DC-regeling.
Bij een verzekerde regeling bij een verzekeraar ligt dit in de praktijk voor de hand.
Deze regelingen worden in principe premievrij gemaakt, waardoor van invaren geen sprake is. Bij pensioenfondsen kan ervoor worden gekozen om de bestaande regeling als een gesloten, afzonderlijke regeling voort te zetten.
De wetgever heeft deze mogelijkheid bewust open gelaten.
Niet invaren kan derhalve een weloverwogen keuze zijn binnen het wettelijke kader van de Wtp.
Niet invaren kunnen fiscale risico's opleveren
De onrust rondom dit onderwerp wordt mede gevoed door signalen van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP). Het CAP heeft aangegeven dat pensioenregelingen die na 1 januari 2028 niet voldoen aan de eisen van de Wtp, fiscale risico’s kunnen opleveren.
Die boodschap is op zichzelf juist, maar wordt in de praktijk regelmatig te breed geïnterpreteerd. Het cruciale onderscheid is dat het hierbij gaat om het niet aanpassen van de regeling voor toekomstige opbouw.
Zolang die toekomstige pensioenopbouw voldoet aan de wettelijke vereisten van de Wtp, is er in beginsel geen fiscaal bezwaar tegen het in stand houden van bestaande pensioenrechten. Niet invaren en niet aanpassen zijn dus twee wezenlijk verschillende zaken en moeten ook als zodanig worden benaderd.
Naast deze juridische en fiscale argumenten spelen ook meer emotionele overwegingen een rol. Een DB-regeling wordt vaak gezien als ‘beter’ of ‘veiliger’ dan een
DC-regeling. Deze emotionele overwegingen zijn op zich begrijpelijk, maar niet volledig. Een DB-regeling biedt meer voorspelbaarheid over de uiteindelijke uitkering, maar die zekerheid is in de praktijk vaak voorwaardelijk. Indexaties zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de financiële positie van een pensioenfonds en dus allerminst gegarandeerd. Pensioenuitkeringen kunnen bovendien door pensioenfondsen worden gekort. Een
DC-regeling maakt daarentegen de premie en het opgebouwde vermogen transparanter, maar legt tegelijkertijd meer risico bij de deelnemer. Het is dus geen zwart-wit vergelijking, maar een verschuiving in de manier waarop risico’s worden verdeeld tussen deelnemer en uitvoerder.
De wetgever heeft daarnaast geprobeerd de overgang werkbaar te maken door middel van overgangsrecht. Daardoor is er ruimte voor flexibiliteit, met name voor werknemers die nu deelnemen aan een stijgende premiestaffel. Bestaande werknemers kunnen onder voorwaarden gebruik blijven maken van deze staffel via de zogenoemde eerbiedigende werking, terwijl nieuwe werknemers verplicht onder een vlakke premie vallen. Dat betekent dat binnen organisaties tijdelijk twee systemen naast elkaar kunnen bestaan. Hoewel dit de complexiteit vergroot, biedt het tegelijkertijd ruimte om de pensioenregeling beter te laten aansluiten bij de specifieke situatie van de organisatie en haar personeelsbestand.
Voor de ondernemers ligt hier dan ook de echte uitdaging. Niet meegaan in de hysterie, maar in het maken van bewuste keuzes. De vraagstukken die voorliggen zijn strategisch van aard: hoe wordt de nieuwe pensioenopbouw ingericht, wat gebeurt er met bestaande aanspraken en hoe wordt dit alles helder gecommuniceerd naar medewerkers? Want waar het wettelijke kader van de Wtp duidelijk is, ligt de grootste gevoeligheid vaak in de communicatie.
De vraag of het pensioenstelsel door de Wtp ‘slechter’ wordt, laat zich niet eenduidig beantwoorden. Voor sommige groepen zullen de veranderingen anders uitpakken dan voor andere. Jongere werknemers kunnen bijvoorbeeld relatief meer premie gaan inleggen, terwijl zij ook langer profiteren van beleggingsrendement. Oudere werknemers kunnen juist behoefte hebben aan compensatie, bijvoorbeeld bij de overgang van een stijgende premiestaffel naar een vlakke premie. Voor hen wordt de jaarlijkse inleg immers minder bij een vlakke premie. De kern blijft echter dat de waarde van pensioen niet verdwijnt. Wat verandert, is de manier waarop die waarde wordt opgebouwd en verdeeld.
De inmiddels verhitte discussie over invaren laat zien hoe snel nuance kan verdwijnen. Het begrip is uitvergroot, risico’s worden als absoluut gepresenteerd en het overzicht raakt zoek. Juist nu de deadline nadert, is het van belang om terug te keren naar de kern. Niet alles is verplicht, niet elke verandering is een verslechtering en vrijwel elke situatie kent meerdere oplossingen. Het helpt om begrippen weer terug te brengen tot hun juridische en praktische betekenis, in plaats van ze te laten sturen door emotie of onjuiste aannames.
Keuzes zorgvuldig afwegen
Dat de Wtp om actie vraagt, staat buiten kijf. Maar actie hoeft niet om te slaan in hysterie. Organisaties die de tijd nemen om de materie goed te doorgronden en hun keuzes zorgvuldig af te wegen, zullen merken dat de complexiteit beheersbaar wordt.
Daarmee verschuift de focus van reageren op onrust naar het nemen van regie.
Juist door structuur aan te brengen in het besluitvormingsproces en scenario’s expliciet te maken, ontstaat rust in plaats van druk.
En precies daar begint het toekomstbestendig pensioenbeleid.
Meer weten?