Vakantie-aanspraken    Wetten en wetsvoorstellen (uitkering) 


Wetten en wetsvoorstellen (tijd, duur en rechten)

Datum laatste wijziging: 8 oktober 2018  |  Trefwoorden: Zwangerschap, Wet, Wetsvoorstel

Inhoud

  1. Wet: artikel 3:1 van de wet arbeid en zorg
  2. Melding werknemer
  3. Rechten en overleg
  4. Aangepaste werktijden
  5. Bevallingsverlof
  6. Te vroeg of te laat geboren
  7. Eerder gaan werken
  8. Couveuseverlof en overdracht bevallingsverlof
  9. Verspreid verlof mogelijk
  10. Werkgever hoeft zwangerschapsverklaring niet meer te bewaren

Wet: artikel 3:1 van de wet arbeid en zorg

Werkneemsters hebben in verband met hun zwangerschap en bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof (artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg). De wet noemt het zwangerschaps- en het bevallingsverlof apart, maar deze twee lopen feitelijk in elkaar over. Het bevallingsverlof begint op de dag na de bevalling, de dag waarop het zwangerschapsverlof eindigt.

Het is niet mogelijk om dagen waarop de werkneemster haar werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten als gevolg van zwangerschapsverlof of bevallingsverlof te verrekenen met (bovenwettelijke) vakantiedagen.

Melding werknemer

De werknemer die zwanger is, moet dit aan de werkgever melden en uiterlijk 3 weken voordat het verlof begint een zwangerschapsverklaring inleveren. Ook de vermoedelijke bevallingsdatum moet zij aan de werkgever doorgeven in verband met de bevallingsuitkering die via UWV wordt uitgekeerd gedurende 10 tot 12 weken na de bevalling.

Rechten en overleg

Werkneemsters hebben recht op minstens zestien weken uitkering in verband met de bevalling. 

Volgens de wet mag de werkneemster tussen de vier tot zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum stoppen met werken, deze periode wordt de flexibiliseringsperiode genoemd. In ieder geval mag vier weken voor de vermoedelijke bevalling niet worden gewerkt, ook niet als de werkneemster dit zelf wil (de werkgever riskeert in deze een boete en in sommige gevallen zelfs een rechterlijke veroordeling). De ingangsdatum van het zwangerschapsverlof kan in overleg met de werkgever worden bepaald, de werkneemster moet dit uiterlijk drie weken voor ingang van het verlof melden.

In de Wet arbeid en zorg (WAZO) is geregeld dat vrouwen een uitkering van minimaal 16 weken krijgen tijdens en na hun zwangerschap. Als een werknemer zwanger is, dan kan de werkgever* deze WAZO-uitkering voor haar aanvragen. De werkgever moet bij de WAZO-aanvraag aangeven wat de vermoedelijke bevallingsdatum van de werknemer is. Voor zijn eigen administratie moet de werkgever haar wel om een zwangerschapsverklaring vragen. Het UWV kan die verklaring dan eventueel opvragen.

* Vanaf 1 januari 2012 hoeven werkgevers geen zwangerschapsverklaring meer op te sturen bij de aanvraag voor een WAZO-uitkering.

Aangepaste werktijden

Werktijden en rusttijden kunnen worden aangepast. Op de volgende zaken heeft een zwangere vrouw recht:
  • regelmatige werktijden en rusttijden;
  • extra pauzes (maximaal 1/8 deel van uw werktijd);
  • een geschikte, afsluitbare ruimte om te rusten (met bed of rustbank);
  • geen onregelmatig werk, overwerk en nachtdiensten;
  • noodzakelijk zwangerschapsonderzoek als dat onder werktijd plaats moet vinden.

Bevallingsverlof

Na de bevalling is er recht op tien weken bevallingsverlof.

Wanneer een moeder tijdens de geboorte van haar kind overlijdt, dan wordt het bevallingsverlof overgedragen naar de partner. Op deze manier is een pasgeboren kind in de eerste maanden verzekerd van de permanente zorg van een ouder. Het verlof is 10 weken.

Te vroeg of te laat geboren

Wordt het kind eerder geboren dan mist de moeder een gedeelte van haar zwangerschapsverlof. Deze dagen worden bij het bevallingsverlof opgeteld zodat de werkneemster totaal toch minimaal zestien weken zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft kunnen genieten.

Als het kind later wordt geboren dan de uitgerekende datum dan heeft de werkneemster dus langer zwangerschapsverlof gehad. Deze extra dagen worden niet afgetrokken van het bevallingsverlof.

Meer informatie: Ministerie SZW

Eerder gaan werken

Een werkneemster kan haar verlof stoppen om eerder aan de slag te gaan. Dat mag op zijn vroegst pas na 42 dagen na de bevalling. Zij moet dus in ieder geval 42 dagen zwangerschapsverlof opnemen.

Couveuseverlof en overdracht bevallingsverlof

Minister Asscher heeft een aanvulling op het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden naar de Tweede Kamer gestuurd. Het betreft de overdracht van het bevallingsverlof van de moeder aan de partner als zij overlijdt bij de geboorte van het kind. Zo is de pasgeborene verzekerd van de zorg van een ouder in de eerste levensperiode.

Een andere maatregel uit het wetsvoorstel is de verlenging van het bevallingsverlof van de moeder bij langdurige ziekenhuisopname van een pasgeboren kind. Zij krijgt van haar werkgever de gelegenheid haar kind 10 weken thuis te verzorgen. Het huidige bevallingsverlof van 16 weken is namelijk in dergelijke gevallen niet afdoende om een volledig herstel van de moeder te garanderen. (Bron: Rijksoverheid, 15 sept. 2014)

NB1: Werkneemsters die bevallen zijn, krijgen zes weken na de bevalling het recht om hun bevallingsverlof flexibel op te nemen. Ze mogen dit verlof dan over 30 weken spreiden. Dit blijkt uit een amendement dat is ingediend bij het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden.

NB2.: Alleen werkneemsters van wie het zwangerschapsverlof na 1 januari 2015 ingaat, kunnen aanspraak maken op het extra bevallingsverlof als hun kindje moet worden opgenomen.

Verspreid verlof mogelijk

Een werkneemsters die zwanger is, heeft recht op bevallingsverlof. In overleg met de werkgever kan zij een deel van dit verlof verspreid opnemen, aldus het UWV. Het bevallingsverlof begint de dag na de bevalling. Dit verlof duurt nog minimaal 10 weken. Waarschijnlijk bevalt de werkneemster eerder of later dan de uitgerekende datum.

Vanaf 6 weken na de bevalling kan de werkneemster het overgebleven bevallingsverlof over 30 weken verspreid opnemen. Deze regeling geldt sinds 1 januari 2015.

Werkgever hoeft zwangerschapsverklaring niet meer te bewaren

De bewaarplicht voor de zwangerschapsverklaring verschuift van de werkgever naar de werkneemster. Dat scheelt administratieve lasten voor de werkgever, zo staat in een nota van wijziging bij de Verzamelwet SZW 2019.

Momenteel moet een werkgever een zwangerschapsverklaring bewaren voor een werkneemster die een zwangerschaps- en bevallingsuitkering van UWV krijgt. In de zwangerschapsverklaring bevestigt een arts of verloskundige dat de werkneemster zwanger is en staat de vermoedelijke bevallingsdatum vermeld. Een werkgever moet de zwangerschapsverklaring tot uiterlijk een jaar na afloop van de uitkering bewaren voor eventuele controles van UWV

De Eerste Kamer moet het wetsvoorstel nog goedkeuren. (Bron: AVG, okt, 2018)

Gerelateerde artikelen en/of partner bijdragen:
Gerelateerd nieuws en/of opinies:



 Vakantie-aanspraken    Wetten en wetsvoorstellen (uitkering)