Zaak Zonder Perspectief, van gedogen naar onvermogen

Opinie  |  zo 20 mrt 2016  |  Auteur: Andries Bongers  |  Trefwoorden: , , ,

Tien jaar lang is een wettelijk volkomen onjuiste beoordeling door de Belastingdienst gedoogd en werden te pas en meer te onpas VAR-verklaringen afgegeven, die suggereerden dat er sprake zou zijn van een zelfstandig ondernemerschap.
Vanaf 2006 werd de controle op het “verplicht werknemerschap” overgeheveld van het UWV naar de Belastingdienst. De Belastingdienst dienst heeft daar ondanks de duidelijke afspraken niets mee gedaan. Zo kon het gebeuren dat de al jaren twijfelachtige situaties in de Bouw met zogenaamde onderaannemers werden uitgebreid met meer dan een half miljoen werknemers uit andere sectoren w.o. de Zorg, die al dan niet gedwongen, als zelfstandig ondernemer aan de slag zijn gegaan.

De Belastingdienst heeft daar ondanks de duidelijke afspraken niets mee gedaan.


De Belastingdienst heeft nu een zogenaamde “Handreiking beoordelingskader overeenkomsten arbeidsrelaties” gepubliceerd. De Handreiking DBA bevat het beoordelingskader dat de Belastingdienst gaat gebruiken bij de beantwoording van de vraag of een voorgelegde overeenkomst gevolgen heeft voor de loonheffingen.
Van een “Handreiking” zou je mogen verwachten dat het een Tegemoetkoming is -  een overgangsperiode van een paar jaren -  van een gedoogperiode naar een strikte toepassing van de wet. Maar niets is minder waar!

In de 'Handreiking beoordelingskader overeenkomsten arbeidsrelaties' (Handreiking DBA) benoemt de Belastingdienst de kaders die zij gebruikt om voorgelegde overeenkomsten te beoordelen.
Fiscaal deskundigen - kennelijk zonder ervaring met de Sociale wetgeving - zijn de mening toegedaan dat de Handreiking vooral bedoeld is voor adviseurs met vergaande kennis van de problematiek. De verwijzingen naar wetgeving en jurisprudentie maken de Handreiking niet echt praktisch bruikbaar voor een opdrachtgever en ZZP-er is hun mening.
Dat is vreemd, omdat de richtlijnen voor de beoordeling niet anders zijn dan die van de (nog steeds) bestaande wetgeving van 1953. Uitgangspunt van deze wet is dat iedereen die voor een werkgever werk verricht werknemer in de zin van de Sociale wetgeving is. Uitzonderingen werden beoordeeld op basis van 3 criteria. Is er sprake van:
  1. Een gezagsverhouding?
  2. Persoonlijke dienstverrichting?
  3. Loon?
Inspecteurs van het GAK (UWV) beoordeelden vanaf 1953 tot 2006 (in een beperkt aantal gevallen) deze 3 criteria en stelden, waar nodig, vast of er wel of geen sprake was van “verzekeringsplicht”.
En wat zien we nu in de Handreiking DBA, dat feitelijk dezelfde criteria gebruikt gaan worden voor het vaststellen of iemand ZZP´er is of gewoon werknemer. Ik durf te beweren dat zeker 80% op basis daarvan gewoon verplicht verzekerd is, wanneer deze criteria strikt worden gehanteerd.
Maar wat is daarvan het gevolg? In de eerste plaats chaos bij de opdrachtgevers, die ik bewust nu geen werkgevers noem en daarna reageren Kamerleden ontzet, verbaasd en verontwaardigd en zien dan ineens in, dat zij door K. Wiebes en voorgangers langdurig aan het lijntje zijn gehouden.
In de tweede plaats een golf van ontslagen, beter gezegd opzeggingen van de contracten. Of misschien wel omzetting naar een gewoon dienstverband? Zou Asscher dan toch gelijk krijgen? Ik denk het niet.


Andries Bongers

Andries Bongers Meer info